enveloppe icoon facebook zoeken

Nu verschenen!

De Code van de Tijd.
De mensheid verlaat de eeuwige cirkel van de natuur en begint een reis door de tijd. Van Abraham tot Jezus markeert het Ramtijdperk de geboorte van lineair denken, monotheïsme en vooruitgang — verteld via de mythische erfenis van de Bijbel. Lees meer …

boekomslag De Coden van de Tijd

Met het Tijdgeestmodel duidt Jeroen Visbeek de geest van de tijd met behulp van de precessiekalender en het Dierenriemmodel. Uit het Tijdgeestmodel volgen cycli (met jaartallen) voor beschavingen met tijdperken van 2155, 180 en 15 jaar. Over het Tijdgeestmodel schrijft Jeroen boeken, artikelen en een blog. Het model presenteert hij in lezingen, radioprogramma's en eigen video's.

Oplossen van de Europese beschaving

Postmodernisme in het historische Vissentijdperk (1964-2144)

In 1785 stierf de Europese beschaving met de Franse Revolutie. Na de loskoppeling van Kerk en Staat (ziel en lichaam) ging de bevrijde Waterman ideeën maken voor de toekomst. Toen rond 1964 de ideale samenleving was bereikt kwam Europa bijna onopgemerkt in zijn tweede hemelse fase waarin Vissen Kerk en Staat oplost. Dit proces zien we met de secularisering en de vorming van de Europese Unie. Uiteindelijk zal Vissen de Europese ziel oplossen in de wereld.

Waterman Vissen
woord beeld
ideologie verhaal
verstand bewustzijn
rede gevoel
rationeel irrationeel
universaliteit relativiteit
utopie droom
geloof in de toekomst doemdenken
maakbaarheid defaitisme
revolutie ondermijning
groepen gelijkgestemden massa, holisme
vrijheid roes
gelijkheid vervreemding

De hemelse tekens Waterman en Vissen met hun verschillen.

In het Tijdgeestmodel blijft het teken van het voorgaande tijdperk ook het opvolgende tijdperk beïnvloeden en dus blijft Waterman de maatschappij moderniseren en daarom leven we in zekere zin nog steeds in de Moderne Tijd. De vooruitgang van de wereld gaat onverminderd door. De Europese succesformule vindt navolging in de hele wereld: honger, armoede, analfabetisme en geweld nemen af, en comfort, welvaart, levensverwachting, vrijheid nemen toe. Overal willen burgers een westerse leefstijl, democratie en rechtsstaat.

Maar omdat vanaf 1964 Vissen de tijdgeest domineert begint de vooruitgang wel te haperen. De omslag van de vitaliteit van Waterman naar de aftakeling van Vissen zien we in alle westerse landen, maar het tekent zich het sterkst af in Europa. Na de dekolonisatie verloren de decadente Europese staten hun macht. Nationalisme en patriottisme werden taboe. Gevoelens van schuld en schaamte verlammen de maatschappij. Wat rest in het museum, annex verpleeghuis is de morele macht. De vergrijzing, ontgroening, dementie, eenzaamheid, depressie en de afnemende vruchtbaarheid zijn duidelijke aanwijzingen dat het Avondland in een eindtijd zit.

Na het optimisme van Waterman kreeg vanaf 1964 het pessimisme van Vissen de overhand. In het Watermantijdperk hadden ouders altijd het optimistische geloof dat hun kinderen het beter zouden krijgen. Dat was ook zo, maar deze verwachting is tegenwoordig bij velen vervlogen. In de Verenigde Staten zette zich al eind jaren 1960 een neergang in bij de lagere middenklasse. Ook in Nederland beschouwt men de babyboomers als de meest gezegende generatie ooit.

Een treffend beeld van het einde van het geloof in de maakbaarheid was de sloop van Pruitt-Igoe in de Amerikaanse stad St. Louis. Het enorme dure appartementencomplex werd tussen 1954 en 1956 gebouwd om de leegloop van de blanke middenklasse naar de buitenwijken tegen te gaan. Het was de bedoeling om het complex op te delen in een blank en een zwart gedeelte. Bij de oplevering in 1956 verbood de staat Missouri de segregatie in appartementencomplexen. Toen ging het – net als in de Bijlmermeer – mis. Tegen het einde van de jaren zestig kende het complex een grote mate van leegstand, verloedering, criminaliteit. Op 16 maart 1972, nog geen 16 jaar na de oplevering, werd het complex gesloopt. Het mislukken van het project had meerdere oorzaken: de monotone onmenselijke architectuur, het economisch verval van St. Louis, de massale trek van blanke bewoners naar de buitenwijken en het overschot aan arme en kansloze zwarte bewoners die niet betrokken waren bij hun omgeving. De beelden van het opblazen van de flats symboliseren het failliet van hetmodernisme.

Verwarring over de waarheid

Tot 1964 heerst Waterman met het modernisme. De modernistische denkers en kunstenaars streven ernaar om de wereld te begrijpen door middel van wetenschap en logica, en ze proberen universele principes en structuren te vinden die overal van toepassing zijn. Dit geloof in universele waarheden (Waterman) en objectieve kennis zien we in alle kunsten, waaronder de moderne architectuur met zijn strakke lijnen, heldere vormen en een focus op functie boven vorm.

Vanaf de jaren 1950 begonnen filosofen fundamentele kritiek te leveren op het idee dat er zo iets bestaat als objectieve kennis en een universele waarheid. Deze kritiek was een gevolg van het vastlopen van de wetenschap zelf. In de natuurkunde, kosmologie en de deeltjeswetenschap is sinds jaren 1970 praktisch geen enkele vooruitgang geboekt. Uit Einsteins relativiteitstheorie volgt dat verschijnselen in het heelal waarnemersafhankelijk zijn. Pogingen om een universeel waarnemersonafhankelijk model op te stellen (het godsperspectief) lopen steeds vast in wiskundige oneindigheden. Verder weten fysici geen raad met het bewustzijn. Uit experimenten in de deeltjesfysica blijkt dat een bewuste waarnemer invloed heeft op de uitkomst van een experiment, maar hoe neem je het ongrijpbare bewustzijn op in een model? De waarnemer en het waargenomen staan in een relatie met elkaar in een subjectieve werkelijkheid. Alleen in het ongekende godsperspectief bestaat er een absolute waarheid. De natuurwetenschappen zijn niet in staat om universele waarheden te formuleren. De chaostheorie (opgesteld in de jaren 1970) bewees dat wetenschappers geen voorspellingen kunnen maken in complexe systemen zoals het weer, klimaat, economie en menselijk gedrag. Extreem kleine wijzigingen in de begincondities kunnen resulteren in een totaal andere uitkomst. Omdat de begincondities onmogelijk nauwkeurig genoeg kunnen worden bepaald lopen de voorspellingen van (computer)modellen al snel uit de pas met de werkelijkheid. Voor de mens is slechts fragmentarische kennis mogelijk en we kunnen de wereld slechts tot een zekere hoogte beheersen. De werkelijkheid is te complex voor allesverklarende theorieën. Kennis en waarheid zijn afhankelijk van perspectief en context. Er bestaat geen objectieve, absolute waarheid omdat er eenvoudig geen criterium of maatstaf bestaat om onderscheid te maken tussen waar en onwaar. Dit alles zette een streep door het modernistische idee van een universele waarheid en objectieve kennis. In een reactie benadrukt het postmodernisme het idee van relativisme, complexiteit en de afwezigheid van absolute waarheden. De mens moet leren leven met voorlopige en subjectieve inzichten.

Filosofen gingen aan het eind van de Moderne Tijd twijfelen aan het vinden van absolute kennis. In de jaren 1960-70 vond men nog een uitweg in de filosofie in het structuralisme, wat een interessante mengeling is van Waterman (absolute waarheid), Steenbok (structuren) en Vissen (onbewustheid). Deze filosofische stroming binnen de sociale wetenschappen gaat ervan uit dat niet-direct waarneembare of onbewuste structuren ten grondslag liggen aan alle sociale verschijnselen. Deze structuren zijn verzamelingen van de relaties tussen de elementen waaruit de sociale werkelijkheid is opgebouwd. Mensen hebben heel verschillende talen en culturen maar de onderliggende gemene deler is een sociale structuur, waarmee al het menselijk handelen kan worden verklaard.

Maar ook dit idee van vaste en objectieve kennisstructuren werd met het deconstructivisme losgelaten. De deconstructieve benadering, geïntroduceerd door filosoof Jacques Derrida, betoogt dat teksten en concepten inherent dubbelzinnig en tegenstrijdig zijn. Deconstructie ontrafelt de verborgen betekenissen en machtsstructuren binnen taal en cultuur. Deze methode onthult de complexiteit en meerduidigheid van teksten, en benadrukt hoe taal en betekenis altijd in beweging zijn en onderhevig aan verandering. Structuren zoals talen kunnen onmogelijk een objectieve waarheid behelzen omdat de structuren vanuit de subjectieve taal is opgebouwd. Niemand kan een objectieve buitenstaander zijn. Alles is steeds in beweging. Er zijn oneindig veel modellen over de werkelijkheid te construeren welke naast elkaar waar zijn. Elke zekerheid is een illusie.

De Franse filosoof Michel Serres (1930-2019) betoogt dat kennis geen vaststaande waarheid is, maar eerder een product van discoursen en praktijken die specifiek zijn voor een bepaalde tijd en plaats. Kennis wordt gevormd door de historische en culturele context waarin het ontstaat. De kennisstructuren verschuiven in de loop van de geschiedenis. Volgens de Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) is de mens slechts een product van de steeds veranderende cultuur. Hij ging zelfs zo ver dat hij uiteindelijk de mens dood verklaarde en sprak van het einde van de mens: l’homme est fini.

Iedereen leeft in zijn eigen verhaal

Volgens de postmoderne filosofie heeft de hedendaagse maatschappij een fragmentarisch karakter. Kernbegrippen in het postmoderne denken zijn de termen pluriformiteit en relativering: er is niet één waarheid, één ideologie, er is niet één zaligmakende stijl, er is niet één interpretatie, maar er zijn vele waarheden, vele antwoorden, die gelijkwaardig naast elkaar bestaan. Hierdoor heeft de postmoderne mens vaak iets dubbelzinnigs.

Postmodernisten zetten een streep door het politieke vooruitgangsidee dat de wereld zich onvermijdelijk zal ontwikkelingen naar een democratische rechtsstaat of een communistische heilsstaat. De ideologieën – ‘grote verhalen’ genoemd – leiden niet naar een betere wereld. Er is in de toekomst niets nieuws groots te verwachten, alleen de eeuwige herhaling van kleine verhalen met bekende thema’s.

Postmodernistische kunstenaars omarmen eclectisme, parodie en ironie, en mengen stijlen en genres om nieuwe en verrassende werken te creëren. In de postmoderne architectuur kunnen allerlei kunststijlen samenkomen. In de film en media heeft het postmodernisme geleid tot een grotere aandacht voor simulaties, zelfreflectie, en de vervaging van grenzen tussen realiteit en fictie. Films zoals The Matrix en Inception verkennen de concepten van hyperrealiteit en verbeelding, terwijl televisieshows zoals The Simpsons en South Park bekend staan om hun zelfspot en kritiek op de cultuur.

Typische kenmerken van het postmodernisme én het Vissenprincipe zijn ironische twijfel, het spelen met verschillen, het wisselen van personages en rollen, het combineren van verschillende perspectieven, het moeiteloos schakelen tussen de echte wereld en de droomwereld (virtuele werkelijkheid), en het Cruijffiaanse ‘Elk voordeel heb zijn nadeel’. Heel postmodern is het combineren van de klinische westerse geneeskunst met de oosterse alternatieve geneeswijzen. Het gevaar van pluralisme is dat men nergens meer in gelooft, dat alle vastigheid verdwijnt in cynisme.

Vissen is steeds in beweging. De levensduur van spullen wordt steeds korter. Wegwerpproducten hebben de voorkeur. Bedrijven zijn constant aan het reorganiseren. Relaties worden korter en vluchtiger. Roem en reputatie stijgen en dalen sneller. Kiezers zweven tegenwoordig door het politiek spectrum. Alles is steeds meer voortdurend onderhevig aan veranderingen. Zekerheden verdwijnen. Sociale vormen en instituties krijgen onvoldoende tijd om zich te consolideren en kunnen niet langer dienen als referentiekader voor ons handelen en onze langetermijnoriëntaties. In dit verband sprak oud-hoogleraar sociologie Zygmunt Bauman over ‘vloeibare moderniteit’.

In deze bewegelijkheid regeren de bestuurders steeds meer ad-hoc met decreten. In plaats van met degelijk beleid het land besturen hobbelen we van crisis naar crisis. Met Vissen in de tijdgeest komen we in een gevoel van een permanente crisis: eurocrisis, bankencrisis, kredietcrisis, schuldencrisis, voedselcrisis, grondstoffencrisis, mestcrisis, vluchtelingencrisis, stikstofcrisis, pfas-crisis, woningcrisis, coronacrisis, mentale gezondheidscrisis, energiecrisis, klimaatcrisis.

Vissen fantaseert in dromenland

Waterman maakt rationele ideologieën voor een betere toekomst en Vissen maakt fantasievolle verhalen van het leven. Of deze verhalen waar zijn of niet, is niet belangrijk. Door associaties kan Vissen tot verrassende visioenen komen. Vissen kan elk denkbeeld als de waarheid aannemen (bv. de platte Aarde) en daarmee is alles ook een illusie. In het historische Vissentijdperk leven we in een droommaatschappij.

Vissen leeft in dromenland. In onze dromen herleven we de afgelopen dag om onze belevenissen te verwerken. In de dromen worden flarden uit het verleden vermengd met informatie uit het onbewuste en in een beeldverhaal omgezet. Dit is ook de essentie van de postmoderne Vissen droommaatschappij waarin het ‘woord’ van Waterman plaats heeft moeten maken voor het ‘beeld’ van Vissen. Het (droom)beeld is overal om ons heen: de fotografie, de film en sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw de meest krachtige droommachine van de mensheid: de televisie. De televisie presenteert net als de film een wereld van illusie.

De filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) bedacht hiervoor het concept van de hyperrealiteit. Het is een toestand waarin simulaties van de werkelijkheid belangrijker worden dan de werkelijkheid zelf. In zijn boek Simulacra and Simulation (1981) beschrijft hij hoe moderne media en technologieën onze perceptie van de wereld zodanig beïnvloeden dat de grens tussen echt en nep vervaagt. De media geeft geen neutraal verslag van gebeurtenissen, zoals we doorgaans denken, maar onttrekken deze juist aan het zicht. We zien een beeld dat losgezongen is van de werkelijkheid, maar dat we wel als werkelijkheid ervaren. Bijna al het nieuws kennen we alleen via een medium en het medium vervormt en manipuleert de informatie. Aan de hand daarvan ontwikkelen we een eigen beeld en oordeel. Deze hyperrealiteit heeft niets meer van doen met de werkelijkheid. De media maken een spektakelstuk van de Arabische Lente, van verkiezingen of van de Covidepidemie. Voorbeelden van de hyperrealiteit zijn overal te vinden, van reality-tv tot bubbels in de sociale media. Baudrillard waarschuwde dat deze ontwikkeling niet alleen ons begrip van de wereld, maar ook onze identiteit en sociale relaties zou transformeren. Binnen het concept van de hyperrealiteit bestaan volgens Baudrillard ‘simulacra’. Dit zijn kopieën zonder origineel. Dit concept illustreert hoe moderne representaties, zoals reclame en digitale media, een wereld creëren waarin symbolen hun band met de werkelijkheid verliezen. Een oorlog wordt beleefd als een videogame. Of bepaalde lichaamsdelen van Kim Kardashian worden voortdurend gephotoshopt waardoor het niet meer duidelijk is, hoe het origineel eruitziet. Het resultaat is een cultuur waarin betekenis wordt bepaald door eindeloze verwijzingen naar andere symbolen, eerder dan naar een onderliggende realiteit, waardoor er een losgezongen droomwereld ontstaat met symbolen die voor velen net zo echt zijn als iets in de fysieke wereld. De media spelen een cruciale rol in het vervormen en herstructureren van de werkelijkheid door gebeurtenissen zodanig te presenteren dat hun representatie belangrijker wordt dan de gebeurtenis zelf.

En zo ontstaan er fantasierijke, alternatieve werkelijkheden waardoor het steeds moeilijker wordt om dé werkelijk vast te stellen. Elke werkelijkheid heeft zijn eigen verhaal en als iemand belandt in een bepaald verhaal, ontneemt hem dat het zicht op een andere werkelijkheid. En zo komen werkelijkheden lijnrecht tegenover elkaar te staan. Bijvoorbeeld de evolutietheorie van Darwin tegenover de visie van de creationisten, en westerse geneeskunst tegenover de oosterse alternatieve genezers. Als Trump beweert dat de verkiezingen zijn vervalst, of dat Oekraïne de oorlog is begonnen, geloven de mensen die in het Trump-verhaal zitten dat blindelings. Vissen kan trouwens ook moeiteloos verhalen met elkaar verbinden, maar dat leidt wel vaak tot halfslachtige hybride oplossingen.

Ik en de wereld

Met de fragmentatie van de waarheid, raakt de identiteit van het ik verscheurd. Vissen lost de identiteit op en daarom kan Vissen als een kameleon steeds van identiteit veranderen. Dit is een typisch postmodern verschijnsel. Postmodernen beschouwen het individu als een chaotisch geheel dat zich steeds aan de buitenwereld aanpast, zonder een algemene structuur of eigenschappen. Er bestaat geen vaste individuele persoonlijkheid.

Als laatste teken lost Vissen de oude structuren op. Vissen is grenzeloos. Grenzen vervagen. De grens tussen werk en privéleven, tussen man en vrouw, mens en dier, mens en machine. Met het verdwijnen van de grenzen ontstaat een grote verwarring over wie we zijn. Door het verlies van identiteit voelt Vissen zich nergens thuis. Zij voelt zich onthecht van de wereld. Vreemdelingen overspoelen de maatschappij en uiteindelijk raakt iedereen ontheemd.

Vissen moet als laatste teken het ik oplossen in de wereld en dat brengt mij bij een model voor het historische Vissentijdperk. Vissen moet zich bewust worden dat zijn ik verbonden is met het Al en dat er een wederzijdse beïnvloeding is van het ik en het Al. Elk mens beïnvloedt de wereld en de wereld beïnvloedt elk mens. Door deze interactie kan één mens het verschil maken.

Het ik heeft bij Vissen een interactie met het geheel en daarmee wordt de ik-identiteit vloeibaar. Net als een kameleon reageert Vissen op haar omgeving, ‘de ene dag ben ik zus, de andere dag ben ik zo. De ongrijpbare Vissen verandert voortdurend van identiteit. Een voorbeeld is de popster Madonna die steeds weer op een geloofwaardige manier haar imago veranderde.

Het is bij Vissen alleen nog: Ik en de wereld, en de rest doet er niet meer toe. Het gevolg is dat de postmoderne maatschappij uiteenvalt in losse individuen en dat alle grenzen oplossen in één wereldmaatschappij: atomisme en holisme.

Het atomisme is een ik-gerichte maatschappij welke bestaat uit losse individuen die in de wereld op zoek zijn naar geluk en zelfontplooiing. Lokale verbanden met gezin, kerk, buurt of streek verzwakken, en daarvoor komen virtuele, holistische gemeenschappen. De keerzijde van de individualisering is het toenemende egoïsme en de eenzaamheid.

Een typisch Vissenmens die zich onthecht heeft van zijn wortels is de hippie. Voor de hippie valt alles tussen het ik en de wereld weg. Gezin, maatschappij, wetten, kerken zijn voor een hippie onbelangrijk. Belangrijk is het bewust worden van de wisselwerking tussen het ik en de wereld. Vanuit zijn ik-gerichtheid wil de hippie iets goeds doen voor de wereld, en door de wederkerigheid geldt het motto ‘een betere wereld begint bij jezelf’. Je kan pas liefde geven als je van jezelf houdt. Sinds de jaren zestig zijn zelfontplooiing en zelfexpressie deugden. De hippie is in wezen een christen zonder een christen te willen zijn. De hippie gelooft in het Evangelie maar dan ontdaan van zijn Bijbelse bewoordingen.

De onthechting van het ik heeft zijn schaduwkant in de massa. In een geatomiseerde maatschappij kan een gevaarlijke massa ontstaan als ontheemde eenlingen dezelfde angsten gaan delen. In een gewone maatschappij zijn de angsten bedwongen door instituties zoals de kerk en staat. Maar als het vertrouwen en de binding met de instituties verdwijnt voelt men geen geborgenheid, geen veiligheid meer. De vlottende angsten gaan ronddolen en dan kan het zich vastplakken aan een aangereikt object. Bijvoorbeeld de Joden, de asielzoekers, een virus, de deep state. Volksmenners krijgen met angstbeelden de losgeslagen individuen in hun macht. In wezen hypnotiseren (Vissen) zij de dolende mens. Binnen de massabeweging voelt de geatomiseerde mens zich veilig omdat het verhaal van de beweging de angsten bezweert. In plaats van een verhoogd bewustzijn heeft een massa een verlaagd bewustzijn. Totalitaire massabewegingen zijn de schaduwkant van Vissen.

Christendom zonder kerk

In de eindtijd van het culturele Vissentijdperk zal de oude mens moeten sterven waarna in het culturele Watermantijdperk de Nieuwe Mens zal worden geboren. Bij deze overgang zal uit een Christusfiguur symbolisch de Nieuwe Mens verschijnen. Maar eerst moet de oude mens zich bewust worden van zijn zonden en hiermee in het reine komen. Dit is een thema in het historische Vissentijdperk.

In de christelijke ethiek is de mens van oorsprong Goed maar werd hij werd na de zondeval belast met de erfzonde en daarom wordt de mens slecht geboren en laat hij zich makkelijk verleiden tot het kwaad. Alleen met het geloof in Christus kan de mens het Kwaad overwinnen en Gods Genade ontvangen.

In de eindtijd van het christendom gaat het om de bewustwording van Goed en Kwaad. Nog te weinig mensen zijn zich bewust van het Kwaad in zichzelf: zelfhaat, egoïsme, jaloersheid, wraak, maar ook gevoelens van schaamte en schuld zijn destructief als mensen er onbewustheid naar handelen. Kinderen houden anderen een spiegel voor met de wijsheid ‘Wat je zegt ben je zelf’. Niemand is zonder zonde. Bij een steniging van een vrouw zei Jezus: “Wie zonder zonde is werpe de eerste steen”. Door te zeggen dat alleen iemand die nooit zondigt de eerste steen mocht gooien, benadrukte Jezus het belang van barmhartigheid en vergeving. En over het veroordelen van andere mensen zei Jezus: “Waarom kijk je naar de splinter in het oog van een ander, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?” Jezus roept op om niet anderen te veroordelen vanwege een fout (hun ‘splinter’), omdat je zonder dat door te hebben misschien wel veel grotere fouten begaat (de ‘balk’).

Het gaat dus om bewustwording van het Kwaad in jezelf. Maar ook met proberen goed te doen kan je de fout in gaan. Overdreven goed willen doen, kan onbedoelde effecten hebben. Hulp geven aan armen kan hen afhankelijk maken juist in een slachtofferrol drukken. Ouders die hun kinderen willen behoeden voor pijn, creëren onbedoeld overgevoelige, verwende kinderen die niet zijn opgewassen tegen de realiteit. Wat soms goed lijkt (democratie brengen in Irak), kan zich resulteren in het Kwaad (opkomst van Islamitische Staat). Voor Vissen zijn Goed en Kwaad wederkerig. Door bewust te worden van alle grijstinten, verkrijgt men diepere inzichten. Het lijden kan worden opgeheven door bewust te worden dat het streven naar het Goed het Kwaad oproept, en dat het Kwaad onbedoeld tot het Goede leidt. Geluk wordt gevonden met de middenweg.

Typisch aan het historische Vissentijdperk is dat de Europeanen eigenlijk als nooit tevoren christelijk zijn, maar het op een vreemde manier ook verloochenen. Een meerderheid van de mensen heeft nog weinig respect voor de christelijke waarden zoals eerbied voor het leven (anti-abortus), respect voor autoriteit en de verschillende rollen van man en vrouw (man als kostwinnaar, vrouw als huisvrouw). Christelijke tradities zoals het Kerstfeest zijn omgedoopt tot ‘winterfeest’. Kerken worden bespot, terwijl men buigt voor de islam. Maar toch is de maatschappij nog doordrenkt met de christelijke deugden. Ook de goddelozen prediken vrede, naastenliefde en barmhartigheid. Deze christelijke waarden zijn verankerd in het Europese denken. De sociale voorzieningen, de hulp aan de zwakkeren, de humane behandeling van criminelen, de tolerantie voor minderheden, de aandacht voor mensenrechten, de hulp aan arme landen, de zorgen om het milieu zijn allemaal christelijke waarden.

Vissen lost de identiteit op. De meeste Europeanen identificeren zich niet meer als christen, maar omdat Vissen de afsluitende fase is van de levenscyclus van de christelijke Europese beschaving, blijft Europa in wezen christelijk. Zolang we God en Jezus vervloeken zijn we nog christelijk. Een christelijke moraal zonder kerken kenmerkt de postmoderne maatschappij.

Typisch in dit verband is de new age. De newagebeweging heeft haar wortels in het christendom en de westerse esoterie: neoplatonisme, gnosticisme, hermetisme en kabbala, en drie ‘traditionele wetenschappen’ astrologie, magie en alchemie. Vanaf de jaren zestig heeft de newagebeweging zich ontwikkeld tot een subcultuur met een caleidoscoop aan ideeën over psychologie, filosofie, esoterie, religie en ecologie, vaak vermengd met heidense religieuze elementen en rituelen. Ook winkelen de aanhangers van de newagebeweging selectief in de evolutieleer, kwantummechanica, relativiteitstheorie, chaostheorie, informatietechnologie en neurologie en dat combineren ze met wijsheden uit de oosterse spiritualiteit. Allerlei psychische ontwikkelingsstoornissen zoals autisme, dyslexie, adhd, add en pdd-nos zouden typisch zijn voor de hooggevoelige nieuwetijdskinderen en ze worden in verband gebracht met empathische en paranormale vermogens.

New age is een religie voor individualisten die elk zijn of haar eigen pakketje samenstelt. In een persoonlijke droomwereld kunnen ze spiritueel groeien of vluchten voor de werkelijkheid. Zelfbedrog ligt altijd op de loer bij Vissen. In de kern is new age christendom maar dan ontdaan van Kerk en Bijbel. En de Heer of de Vader is vervangen door een transcendent ‘Iets’, bijvoorbeeld de Natuur, Energie of Bewustzijn.

Hiermee is de newagebeweging een amalgaan van naar elkaar verwijzende overtuigingen, ideeën, doctrines, praktijken en rituelen. Hoewel men gelooft in één universele werkelijkheid, waar de mens deel van uitmaakt, ontbreekt er een samenhangende leer en is de kennis fragmentarisch. Omdat de newagebeweging geen centrum heeft en zich steeds weer vertakt, is het moeilijk om het integraal te bekritiseren, af te wijzen, maar ook onmogelijk om het integraal te aanvaarden.

New age is een combinatie van Waterman (wetenschap) en Vissen (holisme). De paradox (of fout) is deze: New Age spiritualiseert de wetenschap en seculariseert de godsdienst. Alles wordt op menselijke maat toegesneden, terwijl de grote religieuze tradities nu juist vooral de nadruk leggen op de ‘nietigheid’ van de mens tegenover de godheid of het Al. New age is trouwens allesbehalve nieuw, en evenmin ‘oosters’ zoals vaak wordt gedacht, maar een neo-heidens monsterverbond van de eigentijdse herinterpretatie van westerse esoterische tradities – met als doel ‘zelfvergoddelijking van de mens’ – en de op beheersing en manipulatie gerichte technocratische cultuur, die voor elk pijntje een pleister heeft. New age is een naïeve kosmische knutsel- en knuffelcultuur voor moderne individualisten. Een eigentijdse geruststellings-industrie, bedoeld voor mensen die de wetenschap niet begrijpen of kunnen bijhouden, maar voor wie anderzijds de traditionele godsdienst ongeloofwaardig is geworden.

Het new age-wereldbeeld zou je, vanuit dat perspectief, kunnen kenschetsen als parasitair en pervers. Parasitair, omdat new age geen originele gedachten formuleert, maar zich voedt met ideeën uit enerzijds esoterische tradities en anderzijds de moderne wetenschap. Pervers omdat het ‘onnatuurlijk’ met die ideeën omspringt. Dat wil zeggen: ontdaan van de regels van verificatie en falsificatie (bij de wetenschap), en van hun historische context (bij het esoterisme). Zie het Indiase begrip karma, dat wordt gebruikt om een post-christelijke prestatiemoraal spiritueel aanzien te verlenen: je krijgt wat je verdient. Of de relativiteitstheorie van Einstein, die in versimpelde varianten opduikt om aan te tonen dat ‘alles energie is’. Het is duidelijk dat new age nog volwassen moet worden.

Als laatste teken moet Vissen terugkeren naar de God. Hiervoor moet Vissen zich bewust worden dat het kwaad in de mens zelf zit. Christenen geloven dat Christus zich heeft geofferd aan het Kruis om onze zondes op zich te nemen, en door te leven naar Zijn voorbeeld verkrijgt men toegang tot het hemelse leven. Ook newagers proberen te leven zoals Christus: in volle bewustheid van Goed en Kwaad, het leven aanvaarden zoals het is en mededogen en naastenliefde tonen. Wie bewust leeft zal verlicht worden.

Cyclus historisch Vissentijdperk

De 12 generatieve tijdperken vertellen het verhaal van het historische Vissentijdperk.

Tweelingentijdperk 1994-2009

Cyberspace in een multiculturele global village

Het Tweelingentijdperk is een uniek tijdsvenster vol handreikingen, kruisbestuivingen en dynamiek. Het begint in 1989 hoopvol met de val van de Berlijnse muur. Europa komt in een vredesroes. De dienstplicht wordt afgeschaft en de sterk uitgeklede krijgsmachten krijgen de nieuwe taken peacekeeping en peace enforcement. Het begin van een nieuw tijdperk verwoorden zowel de Amerikaanse president George Bush sr. als Michael Gorbatsjov met het begrip ‘nieuwe wereldorde’. De hoop is dat er in de global village een vreedzame wereldregering zou komen, maar in de realiteit krijgen de Amerikanen de bijzondere positie van de unipolaire wereldmacht, wat overtuigend wordt getoond met de bevrijding van Koeweit in de Golfoorlog (1990-1991).

Tweelingen is de handelaar onder de dierenriemtekens. In het vorige Tweelingentijdperk (1815-1830) kreeg het kapitalisme dankzij het liberalisme vleugels. Het liberalisme bood de gegoede burgerij en ondernemers politieke invloed en economische vrijheid. Als een herhaling van de geschiedenis kreeg de handel een enorme impuls na het neerhalen van het IJzeren Gordijn en nadat communistisch China in 1989 een beperkte vorm van kapitalisme invoerde. In de jaren 1990 ging het neoliberalisme vol op het orgel met een soort superkapitalisme.

De economie kwam tussen 1994 en 2001 in een jubelstemming mede door de opkomst van internet en mobiele telefonie. Dankzij de globalisering verdwenen veel handelsbarrières en konden producten goedkoper worden geproduceerd, wat zich uitbetaalde in meer welvaart. We namen het er van: minder of eerder stoppen met werken, lekker funshoppen, een facelift of een nieuwe trendy keuken, het werd normaal. Dankzij de daling van de prijzen van de vliegtickets werden vakanties naar exotische bestemmingen zelfs voor studenten betaalbaar. De toenemende welvaart heeft veel mensen in armere landen uit de armoede gehaald. Als bonus zou door een groeiende middenklasse vanzelf de democratie overal wortel schieten, en de onderlinge internationale handelsbelangen zouden zorgen voor blijvende wereldvrede. Iedereen zou de fantastische westerse cultuur met open armen omarmen. Volgens Tweelingen een echte win-winsituatie.

In het dagelijkse leven bracht de nerveuze Tweelingen dynamiek in het leven met de 24-uurs economie. De versnelling van tempo is goed te zien in de traagheid van oudere films en tv-series. De keerzijde van de zapcultuur is de onrust (Tweelingen) wat zich uit in de stress en burnout.

Het marktdenken werd een economisch evangelie zonder alternatief. De Nederlandse staat verkocht zijn tafelzilver. Overheidsbedrijven werden in rap tempo geprivatiseerd, en ook ziekenhuizen, scholen, universiteiten, spoorwegen en woningbouwverenigingen werden zelfstandig en moesten als private bedrijven op een markt opereren. Het gevolg was een enorme schaalvergroting. Alleen op deze manier konden bedrijven het hoofd bieden aan de concurrentie op wereldschaal.

Geld lenen werd spotgoedkoop. De banken gingen stunten met publieksgeld en verstrekten (te) ruime kredieten aan zowel bedrijven als particulieren. Veel mensen lieten zich met mooie verhalen overhalen om te gaan speculeren met aandelen, derivaten en opties. Geld maakt geld, leek wel het nieuwe adagium. Niemand maakte zich zorgen. Tweelingen is de puber die met plezier risico’s neemt.

De feeststemming werd het meest gevoeld in de bevrijde stad Berlijn. Met 1989 eindigde de Tweede Wereldoorlog voor de Duitse hoofdstad. Na die Wende werd de stad die beide helften van Europa in zich droeg, de meest dynamische stad van Europa. Het verdwenen ddr-regime liet een leegte achter waar jonge bohemiens, kunstenaars en krakers overal verlaten ruimtes innamen om er te experimenteren. Voordat de nieuwe Duitse hoofdstad werd genormaliseerd door ambtenaren en projectontwikkelaars, werd Berlijn een tijdelijke vrijhaven voor creatieve subculturen. In clubs, op straat, in achtertuinen werd Berlijn een groot technofeest.

Na de Duitse hereniging in 1991 kwam de vereniging van Europa in een stroomversnelling. De buitengrens van de Europese Unie werd groter met het lidmaatschap van de meeste Oost-Europese landen en de binnengrenzen verdwenen toen in 1986 de Europese Akte werd gesloten door de twaalf toenmalige leden van de Europese Gemeenschap. Deze Europese akte hield in dat er vanaf 1993 een interne Europese markt was met vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen. Oponthoud bij de grenzen door paspoortcontroles en douaneformaliteiten was verleden tijd. De invoering van euro in 2001 was het sluitstuk van de vorming van één interne markt. Tweelingen was tevreden, maar eigenlijk vereist een gemeenschappelijke munt ook een politieke unie. Daarvoor moeten we wachten op koning Leeuw.

Nadat Ram en Stier het ‘ik en de wereld’-thema hebben ontdekt, voegt Tweelingen hier een medium aan toe waar deze zich kunnen manifesteren. Dit medium zag in 1991 het licht met het internet. Het wereldwijde communicatienetwerk verbindt het ik direct met de hele wereld. In cyberspace kan iedereen met een paar muisklikken contact leggen met een interactieve droomwereld. Met het internet bracht Tweelingen het individu in verbinding met de wereld. Dat gaf de mogelijkheid om een held te zijn in een game, als een voyeur naar porno te kijken, of een betere versie van jezelf te presenteren in sociale media. Er brak een soort wildwesttijd aan voor het internet. In de anonimiteit verloren veel mensen hun sociale remmingen. Kreeft zou de sociale normen voor het internet opstellen.

Het World Wide Web is met zijn eindeloze spanwijdte het ultieme vervolg op het ‘do it yourself’-ethos van jaren tachtig. Muziek zonder platenmaatschappij, boeken zonder uitgevers, nieuws zonder kranten, verkoop zonder winkels. De internetgeneratie borduurt voort op de verloren generatie maar gaat minder stug, buitensluitend en roekeloos te werk. Bovendien heeft ze een uitgekiend commercieel instinct. De trefwoorden zijn evenwel identiek: eigen beheer, zelf doen, goedkoop, anti-autoritair, kleinschalig, eigenwijs, risico’s nemen, netwerken. Het kost weinig fantasie om websites te zien als autonome panden, downloadable tracks als singles, hackers als stenengooiers, discussiesites als nachtcafés, blogs als fanzines, webradio als piratenzenders.

In het medium van Tweelingen wordt iets uitgewisseld. In het vorige Tweelingentijdperk kwamen de spoorwegen en telegraaf op, en in dit Tweelingentijdperk werd het internet het wereldwijde informatienetwerk. Het medium werd zó belangrijk dat de verwerving, het bezit en analyse van informatie belangrijker is geworden dan de feitelijke productie van goederen. Het vervaardigen van kleding, schepen, auto’s, speelgoed, telefoons etc. verplaatste zich naar de lagelonenlanden. De productie van hoogwaardige goederen werd geautomatiseerd met onder andere robots. Arbeiders werden kenniswerkers en het accent van de economie veranderde van productie naar diensten.

In Tweelingen vindt ook altijd een afsplitsing plaats: er ontstaan twee belevingswerelden; naast de fysieke werkelijkheid ontstond er een virtuele wereld. Een voorbeeld: honderden mensen hebben de levendige herinnering dat Nelson Mandela (1918-2013) in 1985 was gestorven en begraven. Na de uitvinding van het world wide web in 1991 kreeg zo’n virtuele werkelijkheid een platform. De droomwereld op internet zal met de verbetering van technologie steeds meer een aantrekkelijk alternatief bieden voor de echte wereld. In Tweelingen zijn de uitwisselingen op het internet nog oppervlakkig, maar gedurende het Vissentijdperk zal cyberspace steeds meer beleefd worden als een parallelle werkelijkheid.

Het verschil tussen de jaren tachtig en de jaren negentig zit in het monoliete karakter van Stier en de diversiteit van Tweelingen. Wie naar straatfoto’s uit de jaren tachtig kijkt ziet hoe ‘wit’ alle Nederlanders nog waren. Nederland voldeed nog aan het idee van een natiestaat. Iedereen deelde de Nederlandse cultuur. We keken naar dezelfde televisieprogramma’s, iedereen had op zondag vrij en de inkomensverschillen waren gematigd. De omgangsvormen waren vanzelfsprekend; we spraken Nederlands, gaven elkaar de hand en Zwarte Piet was een onschuldige kindervriend. Vadertje staat zorgde voor de bestaanszekerheid, de burgers vertrouwden hun overheid, en het pensioen was nog vast en zeker. Werkgevers en werknemers vonden elkaar in het poldermodel. We hadden nog bedrijven om trots op te zijn (Shell, Philips, Hoogovens, Fokker), de Nederlandse Spoorwegen en de ptt waren nog degelijke staatsbedrijven en we betaalden met onze gulden. Natuurlijk waren er recalcitrante nozems, krakers, voetbalhooligans, maar dat waren ‘onze’ oproerkraaiers. Anders was dat met de gastarbeiders uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten, maar deze vreemdelingen leefden in de jaren tachtig nog in de marge van de maatschappij. De Nederlandse natiestaatcultuur was in de jaren tachtig nog een monoliet.

Deze solide natiestaat spatte uit elkaar door het wegvallen van de grenzen en het uitrollen van de neoliberale agenda. Nederland werd met zijn open grenzen een baken van vrijheid, tolerantie en openheid; een magneet voor veel gelukszoekers. Tweelingen kijkt over de schutting en legt contact met de buren.

Door de toestroom van vreemdelingen werd Nederland een gespleten multiculturele samenleving. Het omslagpunt tussen het gevoel van saamhorigheid en vervreemding ligt ergens bij de vijftien procent; als meer dan één op de zeven mensen in een groep zich als een buitenstaander gedraagt, verliest de groep zelf zijn identiteit. Dit omslagpunt werd begin jaren negentig gepasseerd. In 1996 had 8 procent van de Nederlandse bevolking een niet-westerse migratieachtergrond en 8 procent had een westerse migratieachtergrond. In 2020 was ongeveer een kwart van de Nederlandse bevolking van buitenlandse afkomst en in de grote steden was dat ongeveer de helft van de inwoners. Naar verwachting zal in 2050 het aandeel westerse en niet-westerse allochtonen zijn gestegen naar een derde van de bevolking.

Als gevolg van het overschrijden van het kantelpunt raakt de samenleving verdeeld. Dit werd in het Tweelingentijdperk positief gewaardeerd met het begrip multiculturele samenleving. Multiculturalisme gaat ervan uit dat alle culturen gelijk zijn en gelijk behandeld moeten worden en dat culturele normen en waarden van de ene cultuur niet (moreel) hoger ingeschat mogen worden dan die van een andere.

Multiculturalisme schaadt de saamhorigheid en het vertrouwen. Dat blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse Harvard-politicoloog Robert Putnam. Uit zijn onderzoek onder 30 000 Amerikanen concludeerde hij in 2007 dat een grotere etnische diversiteit leidt minder solidariteit, grotere inkomensverschillen, en minder vertrouwen in de overheid, media, buren en ook minder vertrouwen binnen de etnische groepen zelf. Mensen hebben minder vrienden, bezoeken minder vaak de kerk, hebben minder geluk en raken in een isolement. Mensen trekken zich terug in hun eigen etnische groep. Etnisch verdeelde gebieden kampen met meer criminaliteit en armoede. Hier kunnen verschillende factoren een rol spelen maar uit het onderzoek van Putnam blijkt dat de etnische verdeeldheid de hoofdoorzaak is. Hoe kleiner de etnische diversiteit, hoe hoger het vertrouwen, des te beter de prestaties van scholieren en studenten, des te meer welvaart, tolerantie, fysieke gezondheid en psychisch welbehagen en democratie. De Australische gedragswetenschapper Frank Salter ontdekte in een studie dat de leden van etnisch homogene gemeenschappen veel meer en onvoorwaardelijk een steentje aan hun samenleving bijdragen dan etnisch verdeelde gemeenschappen. Dit probleem lossen veel maatschappijen op met een strikte verdeling van de groepen in bijvoorbeeld zuilen of bij een systeem van apartheid of segregatie. Maar wanneer de zuilen of apartheid verdwijnen leidt een etnisch verdeelde maatschappij tot een instelling van egoïsme en zelfredzaamheid. Dit is goed zichtbaar in de Verenigde Staten. Zolang de zwarten gedwongen moesten leven als tweederangsburgers was er onder de blanken een sterk gevoel van saamhorigheid. Nu de rassensegregatie officieel is afgeschaft raakt de hele Amerikaanse bevolking steeds meer verdeeld en dit is zichtbaar in de onoverbrugbare politieke tegenstellingen welke de laatste decennia zijn gegroeid. In Nederland zal de toenemende etnische verdeeldheid het draagvlak van de verzorgingsstaat verzwakken. Etnisch verdeelde staten zonder segregatie vallen uiteen in een massa egoïstische individuen. Daarom stelde cda-leider Jan Peter Balkenende in 2002: ‘De multiculturele samenleving is niet iets om na te streven.’

In een multiculturele samenleving is de sociale omgang tussen etnische groepen soms wel mogelijk. Dit kan onder bepaalde voorwaarden. De etnische groepen moeten dezelfde taal spreken zonder accentverschillen, de groepen moeten hetzelfde opleidingsniveaus delen en ze moeten geen dreiging van elkaar ervaren. Deze voorwaarden gelden voor de goedgeschoolde kansrijke mensen die onafhankelijk zijn van de overheid. Zij voelen zich niet bedreigd en stellen zich tolerant en open op voor alle mensen – ongeacht de etnische achtergrond. Deze groep mensen bestaat grotendeels uit de progressieve, rijke stedelingen. Met deze positieve blik op de integratie zei PvdA-minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie in 2007 dat de islam een onderdeel zal worden van de Europese joods-christelijke cultuur. Voor de kosmopolieten zijn interraciale contacten en vriendschappen volstrekt normaal, sterker nog, de happy few beschouwt het als een verrijking van het leven.

De verrijking van het multiculturalisme wordt niet ervaren door de armere autochtone bevolking die constateert dat de vreemdelingen met hen concurreren op de arbeidsmarkt, op de markt voor goedkope huurwoningen en vaak een beroep doen op sociale voorzieningen waardoor de houdbaarheid van de verzorgingsstaat onder druk komt te staan. De kansarme autochtonen voelen zich door de toestroom van buitenlanders bedreigd, terwijl de allochtone kansarme groepen zich gediscrimineerd voelen. Verdeeldheid is het gevolg.

In principe zal door gemengde huwelijken de bevolking homogener worden, en in de regel zijn vreemdelingen na drie generaties volledig opgenomen in hun nieuwe cultuur. Dit zal echter niet gebeuren als er meer dan 1 op de 7 mensen van oorsprong uit een andere beschaving komt. De reden hiervoor is dat de maatschappij voorbij het kantelpunt verdeeld raakt en de minderheden hun eigen subculturen gaan cultiveren. Om deze reden konden in de Verenigde Staten alle Europese immigranten wel integreren (ze deelden hun beschaving), maar blijven de Chinezen, zwarten en latino’s aparte bevolkingsgroepen.

Velen waarschuwden al eind jaren negentig dat de multiculturele samenleving uit elkaar valt en dat een gevoel van saamhorigheid omslaat in een gevoel van vijandigheid. vvd-leider Frits Bolkenstein agendeerde de mislukte integratie in de politiek, Pim Fortuyn benoemde onomwonden het probleem met moslimjongeren, en de linkse publicist en hoogleraar Paul Scheffer publiceerde in 200o zijn geruchtmakende essay Het multiculturele drama. Scheffer: “We leven in Nederland langs elkaar heen: ieder zijn eigen café, zijn eigen school, zijn eigen slager en straks zijn eigen straat of buurt. De eerlijkheid gebied te zeggen dat al die oude en nieuwe Nederlanders weinig tot niets van elkaar weten. En zo stort het kaartenhuis van de multiculturele samenleving ineen. Alle onuitgesproken verwachtingen, al zou integratie vooral een kwestie van tijd zijn, worden niet bewaarheid. Onder de oppervlakte van het openbare leven drijft een zee van verhalen over de botsing van culturen.”

Gespletenheid is hét kenmerk van Tweelingen. We zagen het in het vorige Tweelingentijdperk met de deling tussen de hogere en lagere burgerij en in het recente Tweelingentijdperk zien we het in de etnische verdeeldheid. Vanaf de jaren 1990 raakte de Nederlandse bevolking verdeeld in ‘etnische achtergronden’. Vooral in de grote steden veranderde de bevolkingssamenstelling drastisch waardoor tegenwoordig het Engels in het centrum van Amsterdam de voertaal is geworden. De volkswijken ‘verkleurden’, er verschenen ‘zwarte scholen’ en moskeeën. De verschillende bevolkingsgroepen leven naast elkaar. Van integratie (Kreeft) was geen sprake; immigranten mochten met behoud van hun cultuur leven in Nederland en juist daardoor kan Tweelingen tot een culturele uitwisseling komen.

En zo werd Nederland een land van met elkaar concurrerende burgers die met de mentaliteit van Tweelingen (flexibel, opportuun) open stonden voor de buitenwereld. In een smeltkroes van culturen ontstond een mix van underground en mainstream, volks en elitair, autochtoon en allochtoon.

Door de kruisbestuiving in de multiculturele wereldmaatschappij werden allerlei stijlen door elkaar gehusseld. De rich and famous doet geen enkele moeite meer om zich te kleden naar hun stand. Steve Jobs en Mark Zuckerberg maken van hun coltrui en hoodie hun handelsmerk. Filmsterren verschijnen op de Oscaruitreiking in een nonchalant T-shirtje, terwijl gewone stervelingen hun uiterste best doen om hun idolen te imiteren. Alles wat was voorbehouden aan extravagante popartiesten werd mainstream: tattoos, piercings, geverfde haren, kleren met glitters, zelfs een gestileerde hanenkam werd acceptabel. Stijlen vermengden zich tot nieuwe combinaties. Een spijkerjack met spikes, een camouflageprint op een legging, een maatpak met sneakers. Nieuw was ook broeken met scheuren en gaten (‘kijk mij nou heel duur modieus arm zijn’).

Tijdens deze generatie maakten - met Tweelingen in de tijdgeest - de verschillende bevolkingsgroepen kennis met elkaar. Dankzij Youtube en talentenjachten ontpoppen gewone mensen zich tot sterren, en andersom wordt de volkszanger André Hazes salonfähig in de hogere klassen. De elitaire dandy Pim Fortuyn wordt op handen gedragen door het plebs, de gereformeerden gingen ook tv kijken en Nederlanders kregen oprechte interesse in de islam. Het bleef bij een oppervlakkige kennismaking.

Het is interessant dat in Oost-Europa de volkeren juist behoefte hadden om (natie)staten te vormen. Daarom vielen Tsjechoslowakije en de Sovjetunie vreedzaam uit elkaar en in Joegoslavië was daar een burgeroorlog (1991-1999) voor nodig met etnische zuiveringen. De geschokte West-Europese politici probeerden tevergeefs het multi-etnisch Joegoslavië bij elkaar te houden. Het beleid stond haaks op de legitieme wens van de Joegoslavische volkeren om natiestaten te creëren. Ook de Polen en Hongaren weigerden om na hun bevrijding, hun identiteit te verliezen in de Europese Unie.

In West-Europa zien we dat door de teloorgang van de natiestaat de onderdrukte regio’s weer opveerden. De eigenheid van de streek werd opgepoetst. Mensen werden weer trots op hun dialecten en streektalen. Het gaf brandstof aan nationalistische gevoelens bij de Walen, Vlamingen, Schotten en Catalanen. In Nederland leidde dit ertoe dat Nederland officieel meertalig werd. Het Fries werd de tweede rijkstaal en officiële minderheidstaal. Het Nedersaksisch is erkend als regionale taal. Een ander gevolg van de regionalisering was dat de Europese Unie vanaf 1993 wettelijke bescherming bood voor traditionele streekproducten zoals jenever, champagne en Parmazaanse kaas. In de politiek was de regionalisering te merken in de opkomst van de Leefbaren, zoals Leefbaar Hilversum. Andere partijen voerden de termen ‘Onafhankelijk’ of ‘Belang’ in hun naam. Een gezamenlijk kenmerk was de afkeer van als beknellend ervaren regelzucht van ‘regenteske’ partijen, die in spreekwoordelijke achterkamertjes beleid zouden maken en de woonomgeving onleefbaar zouden maken. Toen Leefbaar Rotterdam in 2002 in een klap in Rotterdam de grootste partij werd, speelde lijsttrekker Pim Fortuyn zich in de kijker in het publieke debat in heel Nederland.

Het generatieve Tweelingentijdperk is een soort puberteit van het Vissentijdperk. Pubers zitten in de moeilijke tijd tussen kind en volwassene. Zij voelen het meest de tijdgeest aan en dagen de maatschappij uit om te vernieuwen. Dit is van alle tijden, maar wat opvalt is dat in de voorgaande tijden de dominante jeugdculturen elkaar serieel opvolgende (bijvoorbeeld: punk volgde op disco) en dat in het Tweelingentijdperk de subculturen parallel naast elkaar stonden en elkaar wederzijds beïnvloedden. Er ontstond een grote verscheidenheid aan subculturen zoals gabbers, alto’s, skaters, kakkers, paardenmeisjes, hiphoppers, ravers, chavs, stoere binken en geeks. Het onderscheid zat vooral in de muziek en de eigen kleding, uitgroeiend tot modetrends.

Ook in de muziek stopt de seriële opvolging (rock-‘n-roll > hardrock > heavy metal, of elektronisch > house > techno) en komen de vele muziekgenres naast elkaar te staan. Nieuwe muziekstijlen ontstaan alleen nog maar door crossovers. Grunge is een mix van punk, indierock en heavy metal. Rappers zoals Run dmc, Beastie Boys en Eminem combineerden hip hop met rock. Andere groepen deden dit juist met jazz en R&B. De creatieve kruisbestuivingen zien we ook in de literatuur, podiumkunsten en films. Vaak hadden die iets grensverleggends, en waren ze vol humor, rauw en übercool – Trainspotting, Pulp Fiction, Lola rennt.

Het generatieve Tweelingentijdperk heeft duidelijk twee gezichten. In de jaren negentig leefden we in een opperbeste stemming. Het waren de nadagen van onze onbezorgde kindertijd (Stier), een oppervlakkige blijdschap die verbeeld wordt met de even schattige als ergerlijke Teletubbies. Maar de tijdgeest veranderde rond de millenniumwisseling toen in 2002 toen het Kreeftprincipe begon.

Na het knallen van de champagnekurken in 2000 moesten we nog lachen om die heisa over de millenniumbug, maar enkele maanden later klapte de internetzeepbel. In hetzelfde jaar waren de Amerikaanse presidentsverkiezingen ongekend spannend. De uitslag werd uiteindelijk bepaald door een paar duizend stemmen in de staat Florida. George Bush jr. won nipt van Al Gore. Met de opkomst van de begrenzende Kreeft in de tijdgeest zou het beleid van de regering Bush - ‘meer neoliberalisme’ en ‘war on terror’ - compleet falen.

De terroristische aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 symboliseren het kantelpunt van Tweelingen. Het instorten van de Twin Towers verbeeldt op een dramatische manier het einde van het kinderlijke optimisme over de globalisering. Tweelingen werd in zijn hart getroffen; het wereldhandelscentrum. De onaantastbare supermacht Amerika was met zijn eigen middelen (burgerluchtvaart) aangevallen.

Met Vissen in de tijdgeest is niets wat het lijkt. Na 11 september brak de derde wereldoorlog niet uit, en het moslimterrorisme werd nooit een existentiële bedreiging voor het Westen. Vervolgaanslagen waren nooit meer dan relatief eenvoudig uit te voeren bomaanslagen of het waren wanhoopsdaden van gestoorde mensen. De minutieus voorbereide aanslagen van 11 september waren van een totaal andere orde.

In het Tijdgeestmodel heeft 11 september een gelijkenis met de bestorming en plunderding van Rome op 24 augustus 410 (halverwege het historische Tweelingentijdperk 348-528). De Visigoten konden Rome innemen nadat verraders de poorten hadden geopend. Ook bij de aanslagen van 11 september werd de vijand op zijn wenken bediend: 11 september lijkt een inside job. De smoking gun is wtc-gebouw 7. In deze wolkenkrabber is geen vliegtuig ingevlogen en op beelden is overduidelijk te zien dat het gebouw enkele uren na de aanslagen vakkundig gecontroleerd is opgeblazen. Het aanbrengen van springstof is een klus waar deskundigen maanden voorbereiding voor nodig hebben en het vereist wekenlang toegang tot het gebouw. Terroristen kunnen dit onmogelijk ongestoord hebben kunnen doen. Volgens het officiële onderzoek naar de instorting van gebouw 7 zou door een brand één kolom zijn draagkracht hebben verloren waardoor het hele gebouw met vrije valsnelheid als een kaartenhuis in elkaar zakte. Door deze volstrekt ongeloofwaardige verklaring denken veel mensen dat wtc-gebouw 7 en ook de twee wtc-torens zijn opgeblazen in opdracht van de Amerikanen zelf.

Aanslag of complot? Volgens de complottheorie was de in scène gezette terroristische aanslag van 11 september 2001 een valse vlag welke de pas aangetreden president Bush cart blanche gaf om zijn agenda uit te rollen. In ieder geval kwamen de aanslagen op 11 september 2001 voor de regering Bush als een godsgeschenk. Het gaf Bush een argument om de oorlog van zijn vader af te maken: afrekenen met Saddam Hoessein. Bush wilde het olierijke Irak onder Amerikaanse invloed krijgen omdat de Amerikaanse olievelden opdroogden (olie en gas uit schalie waren nog niet economisch winbaar). De Iraakse dictator Saddam Hoessein – die in de jaren tachtig nog door Amerika werd gesteund in zijn oorlog tegen Iran – had zijn krediet bij de Amerikanen verspeeld na zijn bezetting van Koeweit en Hoessein probeerde zich ook nog te onttrekken aan de petrodollar. Om de Amerikaanse economie blijvend van goedkope energie te voorzien wilde de regering Bush het land met de enorme oliereserves onder een pro-Amerikaans regime brengen.

Prompt na de aanslagen begon Bush met zijn war on terror. ‘Terrorisme’ werd een verhulling voor het plan om de hele wereld onder Amerikaanse controle te krijgen. Om morele goedkeuring te krijgen verhulde Bush als wedergeboren christen zijn machtspolitiek met een retoriek over een (heilige) oorlog tegen de ‘as van het kwaad’. Een misleidende term omdat de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog bondgenoten waren, terwijl dat bij de landen uit de as van het kwaad (Noord-Korea, Iran, Irak, Cuba, Libië en Syrië) niet het geval is. De negentien vliegtuigkapers van 11 september kwamen uit bevriende landen van Amerika: Egypte en Saoedi-Arabië. De moslimterreurorganisatie Al Qaida had niets van doen met de landen van de as van het kwaad. Bush gebruikte de schok van 11 september en de angst voor het (moslim)terrorisme voor Amerikaanse machtspolitiek om de olie- en wapenindustrie tevreden te houden. Met valse beschuldigingen en leugens begon Amerika een bevrijdingsoorlog tegen Irak. In werkelijkheid had het seculiere regime van Saddam Hoessein niets met moslimterrorisme te maken en Irak beschikte ook niet over massavernietigingswapens. Frankrijk en Duitsland geloofden de Amerikanen niet en steunden Bush niet met zijn hypocriete voorwendsel om vrijheid en democratie te brengen. Hier zien we een begin van de uiteendrijving van Europa en Amerika.

Toeval of niet? In dezelfde periode werd Rusland in 1999 opgeschrikt door een serie bomaanslagen op flatgebouwen. Daarbij kwamen in Moskou, Volgodonsk en Boejnaksk bijna driehonderd mensen om het leven, vele honderden raakten gewond. De aanslagen werden door het Kremlin toegeschreven aan Tsjetsjeense moslimterroristen. Inmiddels is het bekend dat de Russische geheime dienst de aanslagen had uitgevoerd. Het was een complot met het doel om de onbekende Vladimir Poetin tijdens de machtsoverdracht van Boris Jeltsin, zich te laten profileren als de sterke leider die het terrorisme aanpakte. Na de machtsoverdracht gaf het president Poetin de aanleiding om een oorlog te beginnen tegen Tsjetsjeense (moslim)rebellen in de Kaukasus. Wat Amerika in het groot deed, deed Rusland in het klein.

In het generatieve Tweelingentijdperk verloor de wereld haar kinderlijke simplisme. Met Stier was de wereld nog overzichtelijk verdeeld in goed en fout. Reagan noemde de Sovjet-Unie een Evil Empire. Het democratisch-kapitalistische Westen was goed en het dictatoriale-communistische Oosten was slecht. Maar met Tweelingen in de tijdgeest werd de wereld ambigu. In de tweede helft van het Tweelingentijdperk draaiden de posities van goed en fout. Want het ‘goede’ Amerika werd onder Bush een evil empire, terwijl het ‘foute’ Rusland onder leiding van Poetin aanvankelijk een gematigde prowesterse houding aannam. Poetin zinspeelde zelfs op een Russische toetreding tot de navo en Europese Unie.

De toenadering van Europa en Rusland werd gedwarsboomd door de Amerikanen die het benauwd kregen van Poetins handreiking. Want als Europa en Rusland zich verenigen ontstaat het grootste economische machtsblok van de wereld, wat Amerika van de troon zal stoten. Volgens de Amerikaanse Brzeziński-doctrine moet Amerika er alles aan doen om dit te voorkomen. De Amerikaanse politiek bestond er steeds uit om Europa en Rusland uit elkaar te spelen. Poetins handreiking werd beantwoord met een uitbreiding van de navo naar het oosten en daar kreeg Poetin slapeloze nachten van.

In 2007 veranderde Poetin zijn politiek. In zijn toespraak bij de Veiligheidsconferentie in München veroordeelde Poetin krachtig de inspanningen van de Verenigde Staten om een ​​unipolaire wereld op te bouwen, en bekritiseerde hij de uitbreidingsdrift van de navo. Vanaf 2007 koos Poetin voor de aanval tegen Europa en ging hij net als Amerika brute machtspolitiek uitoefenen.

In Amerika zien we precies de tegenovergestelde richting. De Amerikaanse kiezers rekenden af met de mislukte politiek van Bush, en kozen in 2008 voor de eerste zwarte president van de Verenigde Staten. De charismatische Barack Obama werd in Europa bejubeld als de heiland die was neergedaald op aarde. Amerika werd even weer ‘goed’. Maar Obama kon geen koersverandering forceren in de relatie met Rusland en de oorlogen die Bush was begonnen. President Donald Trump zette wel een punt achter de buitenlandse interventies van Bush.

Bush’ machtspolitiek mislukte faliekant; in Irak verscheen na de bevrijding het monster van de Islamitische Staat, en de oorlog in Afghanistan werd voor de Amerikanen een tweede Vietnam. Ook het financiële beleid van Bush pakte desastreus uit. Zijn regering liet de teugels voor het superkapitalisme los met onder andere de deregulering van het financiële systeem. Met ondoorzichtige financiële producten camoufleerden banken de risico’s met megazwendel als gevolg. De neoliberale droom eindige bij de overgang naar het Kreefttijdperk op 15 september 2008 toen na het faillissement van de Amerikaanse bank Lehman Brothers het westerse financiële systeem bijna in elkaar klapte.

De nieuwe wereldorde die Bush sr. uitriep was door Bush jr. ten gronde gericht. Maar waarom ging het mis? Waarom wil niet iedereen de westerse manier van leven omarmen? Waarom wil niet iedereen leven in een democratische rechtsstaat? Hier zien we het verschil tussen Waterman en Vissen. Waterman gelooft in de universele waarden van vrijheid en democratie. Met deze eigenschappen van het voorgaande historische tijdperk in het achterhoofd, dacht de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama in de jaren negentig dat alle samenlevingen in de wereld langzaam maar zeker bewegen richting de seculiere, liberale democratie met een vrije markt. Ook wanneer het totalitarisme zou terugkomen, zou dit slechts een tijdelijke stap terug zijn, waarna de evolutie in de richting van de democratie zal voortgaan. Democratie is immers de meest eerlijke en rechtvaardige bestuursvorm waarin elk individu in gelijkheid en vrijheid kan leven. Het politieke eindstation noemde Fukuyama ‘Het einde van de geschiedenis’. Met deze gedachte was de westerse wereld, en West-Europa in het bijzonder, in de jaren negentig gegrepen door een universalistische hoogmoed. Met actieplannen voor armoedebestrijding en desnoods een geforceerde regime-change zou de hele wereld een beetje op Amerika gaan lijken. Met de finish van de geschiedenis in zicht losten hardnekkige politieke tegenstellingen op. Van links tot rechts onderschreven de gevestigde partijen de liberale democratie, het neoliberalisme, het lidmaatschap van de Europese Unie, het recht op sociale zekerheden en de zorgen om het milieu. En daarmee verloren de begrippen links en rechts hun oude betekenis. In de Nederlandse politiek was met de paarse kabinetten (1994-2002) de strijdbijl begraven. ‘Paars’ geloofde in haar zelfvoldaanheid in ‘het einde van de geschiedenis’: ‘Nederland is af’. Maar inmiddels kan ook Fukuyama de geschiedenis nauwelijks nog bijhouden.

Want Vissen domineert de tijdgeest. Waterman denkt en Vissen gelooft. In de eindtijd van het christendom is de religie weer terug van weggeweest. Als reactie op Fukuyama ontvouwde de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington in de jaren 1990 een theorie in zijn invloedrijke boek ‘Botsende beschavingen’. De hoogleraar van Harvard stelde dat de wereldorde na de val van het communisme terugkeert naar die van de religies. Na het einde van de ideologische strijd van de Koude Oorlog worden de religies weer de bezielende lijm van samenlevingen. Naties die een religie delen, delen ook hun cultuur, normen en waarden. Hierdoor zouden conflicten tussen landen met dezelfde religie makkelijker kunnen worden gesust, terwijl conflicten van landen met verschillende religies makkelijker kunnen escaleren. Op basis van religie onderscheidde Huntington acht beschavingen waarvan sommigen door hun karakters in botsing met elkaar komen. Huntington voorspelde in het begin van de jaren negentig een clash tussen de christelijke en islamitische beschavingen. Deze voorspelling is ten dele uitgekomen.

Religies zijn de spelbreker voor Waterman. De terugkomst van de religies is een gevolg van de globalisering. Want globalisering betekent in de visie van Waterman dat de hele wereld de humane westerse cultuur zal gaan overnemen. Dat roept uiteraard weerstanden op en omdat de dominante westerse beschaving niet met rationele argumenten kan worden bestreden (wie is er tegen een democratische rechtsstaat?) kan de niet-westerse wereld zichzelf alleen staande houden door zich te identificeren met religies, en dat zal de seculiere westerse beschaving gaan dwingen om hier een religieus antwoord op te geven.

De religieuze wrijvingen werden na 1990 duidelijk voelbaar tussen het christendom en de islam, tussen het christendom en het areligieuze China, tussen China en het hindoeïstische India, en onderling zijn er binnen het christendom scheidslijnen tussen het katholiek-protestanten westerse christendom en het Russisch orthodox christendom, en binnen de islam woedt de strijd tussen soennieten en sjiieten.

Tweelingen is gespleten. In de puberteit worden jongens mannen en meisjes worden vrouwen. In het generatieve Tweelingentijdperk kregen Amerika en Europa een religieuze antipode. Voor Amerika werd dat China en voor Europa werd dat de islam. Typisch voor Tweelingen is een kruisbestuiving, wat betekent dat Amerika een beetje communistisch zal gaan worden en dat Europa een beetje islamitisch wordt.

Aan het einde van het generatieve Tweelingentijdperk was door de botsing van de beschavingen de integratie van immigranten uit moslimlanden verder weg dan ooit. In 2010 zei de Duitse bondskanselier Angela Merkel dat de poging om van Duitsland een multiculturele samenleving te maken, was mislukt. In hetzelfde jaar viel ook het doek voor de Love Parade. Bij de laatste editie van het grootste technofeest van de wereld kwamen 21 mensen om het leven bij het gedrang in een toegangstunnel. Het feest van Tweelingen was voorbij.

Het generatieve Tweelingentijdperk vergelijk ik met het historische Tweelingentijdperk (348-528). In deze tijd gleed Europa af naar de Middeleeuwen (500-1500). Kenmerkend voor de Middeleeuwen was dat de maatschappij op slot zat door de erfschuld in het feodale stelsel. In het historische Vissentijdperk komen we vanaf 2009 in de postmoderne middeleeuwen (2009-2084) waarin de wereld vastzit in schulden: financiële schulden maar ook een ‘witte schuld’.

Jeroen Visbeek, juni 2026

Deel deze pagina
disclaimer en privacy Contact website bijgewerkt: 2 juni 2026 © 2004-2026