Tijdperk van AI en robot 2010-2050? Symbolen: smartphone en robotKern: VS (Silicon Valley) en verspreidend naar Europa, China, India, Oost-AziëDoorbraak: 2007 – iPhone → smartphone als platformExplosieve groei: Cloud computing, datacentra, big data, AI, draadloos internet, robotisering, platformeconomie.Kantelpunt: Vanaf 2020: maatschappelijke discussie over AI, privacy, regulering van big techVolwassenheid: Naar verwachting: wijdverspreide toepassing AI, zelfrijdende voertuigen, inzet robots en dronesVerzadiging/einde: Moet zich nog uitwijzen; waarschijnlijk bereikt de toepassingen van AI en robots een plafond wat de groei afvlakt
Maatschappelijke gevolgen:
Digitalisering van geld en identiteit, virtuele realiteit. Regionalisering van macht vanwege het risico van afhankelijkheid van kennis, productie en systemen. Problemen rond privacy, bezit van data en de macht van big tech. Mensachtige machines vervangen mensen in werk en sociaal verkeer. De zesde Kondratieffgolf begint in 2007 als Apple de iPhone presenteert. De computer wordt mobiel. Dankzij de ingebouwde gps, touchscreen en camera wordt de smartphone het platform voor diensten die complete sectoren veranderen: taxi’s, hotels, sociale netwerken en retail. De smartphone wordt voor bijna iedereen een vertrouwd hulpmiddel voor het dagelijks bestaan.
Deze golf draait niet om de transitie van fossiele energie naar duurzame energie met een waterstofeconomie, en deze golf zal ook geen energie krijgen vanuit innovaties in de gepersonaliseerde gezondheidszorg. In werkelijkheid remt het klimaatbeleid de economische groei, en in de gepersonaliseerde gezondheidszorg wordt veel geld gespendeerd aan niet-productieve oude mensen.
Wat wel de arbeidsproductiviteit verhoogt is de uitrol van draadloos internet, grote datacentra, en de rekenkracht van cloudcomputing. Steeds meer kan en gaat kunstmatige intelligentie (AI) wedijveren met menselijke creatieve vaardigheden. Met machine learning-algoritmes analyseren computers in datacentra enorme hoeveelheden data, resulterend in vaardigheden waar een kind achttien jaar onderwijs voor nodig heeft.
In het zesde tijdperk zullen slimme softwaresystemen met ons meedenken, ons helpen, het werk efficiënter kunnen maken en sneller en accurater data kunnen verwerken. Patronen kunnen herken-nen uit grote onoverzichtelijke hoeveelheden data. Gezichten, spraak en tekst kunnen herkennen als ware het mensen. Slimme computersystemen die menselijke ‘vaardigheden’ beginnen te bezitten en intel-ligentie toevoegen aan producten, processen en diensten.
AI kan schijnbaar moeiteloos teksten schrijven en vertalen, software schrijven, afbeeldingen, menselijke spraak, muziek en video’s genereren en dat met een ongekende snelheid. AI heeft tegenwoordig toepassingen in gezondheidszorg, financiën, zelfrijdende voertuigen, productie en entertainment, en zal naar verwachting heel veel denkwerk van mensen overnemen.
Naar verwachting zal AI ook gaan interacteren met emoties en tot een zekere hoogte ook de kracht van humor en ironie leren ‘begrijpen’. Op dat moment zal elke smartphone een persoonlijke AI-assistent worden die helpt bij alle praktische zaken van het leven.
In deze golf komt de computer tot ‘leven’ in de vormen van robots en drones. De praktische toepassing van mobiele robots staat nog in de kinderschoenen. De robotstofzuiger en -grasmaaier zijn al populair, en als in de nabije toekomst robots kunnen communiceren en handelen als een mens gaan ze mensen assisteren in restaurants, distributiecentra, in de zorg, als bouwvakker op de steiger, als tomatenplukker in de glas- en tuinbouw, en als killerrobot op het slagveld. Vliegende robots – drones – veroveren het luchtruim. Robots zijn geen bedreiging voor de werkgelegenheid maar eerder de oplossing voor de vergrijzing en de afnemende beroepsbevolking. Ook alle vaste apparaten worden ‘smart’ en kunnen via de Internet of Things informatie uitwisselen.
Het kantelpunt van deze golf moet nog komen. Men ziet nog veel beren op de weg met privacyproblemen, data-monopolies en desinformatie en de macht van big tech. In een samenleving die steeds meer data-gedreven is, moeten antwoorden worden gevonden op de fundamentele vragen: wie bezit de data, wie profiteert van AI, en wie loopt risico? Het gebruik van blockchaintechnologie kan hierin oplossingen bieden. Voorbij het kantelpunt moet de maatschappij haar huivering voor de robots overwinnen, anders zal deze golf zijn momentum verliezen.
Van verzadiging is nog lang geen sprake. De machine zal als persoonlijke assistent van de mens steeds dichter tegen ons kruipen. Een zevende golf zou ergens rond 2060 kunnen beginnen met de versmelting van mens en machine door innovaties in de bio- en nanotechnologie.
Digitale revolutie 1970-2010 Symbolen: computer en televisieKern: VS Californië (Silicon Valley), daarna Europa en Oost-AziëDoorbraak: 1971 – Intel microprocessorExplosieve groei: pc’s, software, internet, mobiele telefonie, digitaliseringKantelpunt: Dotcomzeepbel (2000): internetbedrijven overgewaardeerdVolwassenheid: sociale media, automatisering van diensten, globalisering versneltVerzadiging/einde: Financiële crisis 2007-2009: systeemschok, stagnatie
Maatschappelijke gevolgen:
Informatie wordt wereldwijd toegankelijk. Verdwijning van banen in de textiel en zware industrie, opkomst IT-sector. Globalisering van handel, productie en cultuur. Nieuwe sociale ongelijkheden (digitale kloof). De vijfde Kondratieffgolf welke de wind mee krijgt met ruimtevaart en kernenergie, betekent de overgang van een industriële naar een kenniseconomie. Mechanieken worden elektronisch dankzij de uitvinding van de transistor in 1954. Er volgt een snelle opkomst van televisie; het begin van de beeldcultuur. De hifi-stereoset brengt de popmuziek in huiskamer, en de magnetron is ideaal voor het opwarmen van een kant-en-klaarmaaltijd. In 1971 presenteert Intel de eerste microprocessor. Wat volgt, is een digitale revolutie die het leven fundamenteel verandert.
Aanvankelijk zijn computers grote, dure machines in bedrijven en overheidsinstellingen. Maar in de jaren 1970 en 1980 ontstaat een nieuwe visie: de computer voor op het bureau en later in huis. Bedrijven als ibm en later Apple en Microsoft maken dit mogelijk. De personal computer (pc) wordt een symbool van zelfstandigheid en creativiteit. Software zoals games, tekstverwerkers maken computers nuttig en leuk voor iedereen. Vanaf de jaren 1990 brengt internet een tweede digitale golf: e-mail, websites en e-commerce veranderden het zakendoen. Het wordt mogelijk om wereldwijd te communiceren en informatie te delen in seconden.
Deze groei leidt tot een klassiek kantelpunt: de dotcomzeepbel rond 2000. Start-ups zonder bewezen verdienmodel ontvangen miljarden, puur gebaseerd op verwachtingen. Als blijkt dat de winstgevendheid uitblijft, klapt de markt in elkaar. Duizenden bedrijven gaan failliet, maar de digitale infrastructuur blijft en groeit explosief.
De kern van deze golf ligt in de VS (met Silicon Valley als centrum), en verspreidt zich naar Europa en Azië. Elektronica, halfgeleiders, telecom en software worden wereldwijde sectoren. De productie verschuift deels naar Oost-Azië, waardoor de globalisering versnelt. Consumentengoederen komen uit alle hoeken van de wereld en bedrijven outsourcen hun werk.
Tegen 2010 bereikt de digitale revolutie een verzadigingspunt. Computers en internet zijn dan alomtegenwoordig; productiviteitswinsten vlakten af. Een nog snellere laptop maakt werk niet fundamenteel efficiënter. De financiële crisis van 2007-2009 versnelt deze stagnatie: overheden en bedrijven investeren minder, consumenten werden voorzichtiger.
Maatschappelijk brengt deze golf ongekende veranderingen. Werk wordt flexibeler: e-mail en later laptops en smartphones maken werken op afstand mogelijk. Nieuwe beroepen ontstaan (programmeurs, data-analisten, digitale marketeers), terwijl veel routinewerk in de industrie en op kantoor verdwijnt. De informatie wordt democratischer: niet alleen elites hebben toegang, maar vrijwel iedereen die verbonden is met internet heeft onvoorstelbaar veel data tot zijn beschikking. Mensen krijgen meer keuzevrijheid, maar ook keuzestress. Tegelijk wordt de samenleving complexer door meer afhankelijkheden. Deze golf markeert de overgang van een analoge industriële naar een digitale netwerkmaatschappij: verbonden, snel, maar door zijn complexiteit ook kwetsbaar.
Tijdperk van olie en auto 1930-1970 Symbolen: auto en vliegtuigKern: VS Oostkunst, en verspreidend naar Europa en JapanDoorbraak: 1908 – T-Ford van de lopende band in DetroitExplosieve groei: Auto’s, vrachtwagens, petrochemie, plastics, huishoudelijke apparaten, vliegtuigenKantelpunt: Na WOII gouden tijd, suburbanisatieVolwassenheid: Consumptiemaatschappij, welvaartstaat, snelwegenVerzadiging/einde: Oliecrises (1973–1980), milieuvervuiling, stagnatie
Maatschappelijke gevolgen:
Massamobiliteit, suburbanisatie (wonen buiten stad). Sterke toename milieuproblemen (smog, vervuiling). Mechanisatie landbouw, leegloop platteland. Consumentisme als maatschappelijk ideaal. De vierde Kondratieffgolf brengt een revolutie in mobiliteit en consumptie. Hoewel Karl Benz in de jaren 1880 de moderne auto uitvond, gaf Henry Ford in 1908 met zijn lopende-bandproductie de doorslag: de auto werd bereikbaar voor de massa. Dit veranderde alles: steden, platteland, industrie en zelfs vrijetijdsbesteding.
De kern van deze golf lag in de Verenigde Staten, waar auto’s, vrachtwagens en vliegtuigen de infrastructuur en het landschap herschiepen. Wegen, viaducten en snelwegen werden aangelegd, terwijl buitenwijken groeiden dankzij de nieuwe mobiliteit. Mensen konden nu buiten de stad wonen en toch in de stad werken: het begin van de ‘forenzenmaatschappij’.
De auto-industrie trekt andere sectoren mee: olie, staal, glas, rubber en de chemische industrie bloeiden. Petrochemie leverde kunststoffen, die hun weg vinden in bijna elk huishoudelijk product. De landbouw mechaniseert verder met tractoren, oogstmachines en kunstmest, waardoor minder mensen nodig zijn op het land en voedselproductie verder steeg.
Deze periode kent ook iconische symbolen: de Boeing 707 maakte intercontinentale vluchten mogelijk; auto’s als de Cadillac en Volkswagen Kever staan voor status en mobiliteit. Het vliegtuig brengt niet alleen mensen dichter bij elkaar, maar versterkte ook de globalisering van handel en toerisme.
Het kantelpunt komt niet in de vorm van pure speculatie. De Tweede Wereldoorlog gaf een enorme stimulans in de productie van gemotoriseerde voertuigen en vliegtuigen. De motorisering verandert de levensstijl van miljoenen mensen. De auto geeft mensen vrijheid, en goedkope consumptieartikelen geeft mensen meer comfort dan ooit: huishoudelijke apparaten, wasmachines, koelkasten, televisies en synthetische kleding worden gemeengoed.
De naoorlogse periode brengt ook sociale veranderingen: vrouwen treden massaal toe tot de arbeidsmarkt, jongeren ontwikkelen een eigen jeugdcultuur. De naoorlogse babyboom voedt een nieuwe generatie die anders denkt over werk, politiek en milieu.
Het verzadigingspunt komt in de jaren 1960 toen er kritiek kwam op de auto en massaconsumptie. De eerste auto’s werden in New York toegejuicht omdat de stad overliep van de paardenmest, maar toen de golf in 1970 tegen het einde liep was de auto een probleem geworden. De steden zijn dichtgeslibd, verkeer is een dagelijks probleem, binnensteden zijn verpauperd. Het ideaal van ‘altijd groei’ krijgt kritiek van de milieubeweging, die wijst op milieuvervuiling, uitputting van grondstoffen en het verdwijnen van plant- en diersoorten. Mikpunt van de milieubeweging werd de fossiele industrie. Er begint een beleid om de auto uit de stad te krijgen. Het mislukken van de supersonische Concorde maakt duidelijk dat rond 1970 een einde is gekomen aan de mobiliteitsgolf.
De vierde golf eindigt met de oliecrises. De plotselinge prijsstijgingen van olie, veroorzaakt door opec, tonen hoe afhankelijk economieën zijn geworden van goedkope energie. Dit leidt tot recessie, hoge werkloosheid en stagflatie – een combinatie van stagnatie en inflatie die decennialang ondenkbaar leek.
Deze golf laat een wereld na die mobieler, welvarender en meer verbonden is, klaar voor het informatietijdperk.
Tweede Industriële Revolutie 1880-1930 Symbolen: motor en gloeilampKern: VS Oostkust en Duitsland nemen leidende rol over van VKDoorbraak: 1875 – Bessemerstaalfabriek van Carnegie in PittsburghExplosieve groei: Elektriciteit, chemie, telefoon, radio, huishoudelijke apparatenKantelpunt: Imperialisme en landspeculatie (1880-1890): onrendabele overzeese investeringenVolwassenheid: Wereldtentoonstellingen, massaproductie, auto’s, stalen stoomschepenVerzadiging/einde: Grote Depressie (1929–1939): beurskrach, massawerkloosheid
Maatschappelijke gevolgen:
De levensverwachting stijgt spectaculair. Welvaart stijgt voor brede lagen. Massacultuur: sport, film, populaire muziek. Nationalisme, imperialisme, spanningen die bijdragen aan WOI. Met de derde Kondratieffgolf breekt het tijdperk van wetenschap en technologie echt aan. Staal, elektriciteit, verbrandingsmotoren, turbines en chemie veranderden de wereld ingrijpend. In 1875 opent Andrew Carnegie zijn Bessemerstaalfabriek in Pittsburgh, die staal betaalbaar maakt en daarmee de bouw van spoorwegen, bruggen en wolkenkrabbers mogelijk maakt.
De groei wordt aangejaagd door wetenschappelijke doorbraken: de gloeilamp van Edison, de telefoon van Bell, de verbrandingsmotor van Daimler en Benz. Steden groeien als kool, met nieuwe infrastructuur zoals trams, straatverlichting, waterleiding en riolering. Met elektrische verlichting kunnen mensen langer werken en uitgaan. Huishoudelijke apparaten beginnen het leven te verlichten, al blijft dit aanvankelijk een luxe voor de midden- en hogere klasse.
De wereld wordt kleiner door nieuwe communicatiemiddelen zoals de radio en trans-Atlantische telefoonkabels. In deze fase ontstaan multinationals en wordt massaproductie op grote schaal ingevoerd. Standaardisatie wordt een mantra: hetzelfde product, overal ter wereld. Wereldtentoonstellingen in Londen, Parijs en Chicago tonen deze vooruitgang. De Eiffeltoren en het Vrijheidsbeeld in New York zijn iconische beelden.
Het kantelpunt komt rond 1880-1890 met het imperialisme en landspeculatie. Europese machten strijden om koloniën, deels gedreven door de behoefte aan grondstoffen en markten. Er is te veel kapitaal dat niet meer binnen Europa kan worden geïnvesteerd. Maar de investeringen in de koloniën renderen niet. Tegelijk speculeren Amerikanen in land in Argentinië, welke niet altijd economisch houdbaar bleek.
Na 1900 gaat iedereen profiteren van de stijgende welvaart. Arbeiders krijgen langzaam betere lonen en kortere werkdagen. De leerplicht wordt ingevoerd en de sociale woningbouw moet een einde maken aan de krotten. Consumptiegoederen zoals fietsen, radio’s en naaimachines worden bereikbaar voor bredere lagen.
Tegen het einde van de jaren 1920 stokt de groei. Overproductie, speculatie en ongelijke inkomensverdeling leiden tot de beurskrach van 1929. De daaropvolgende Grote Depressie veroorzaakt massawerkloosheid en sociale onrust.
Maatschappelijk heeft deze golf enorme impact. Het was de tijd van massamedia, nationale identiteit en internationale spanningen. De verschillen tussen arm en rijk worden opnieuw zichtbaar, terwijl arbeiders zich organiseerden in vakbonden en socialistische partijen. Vrouwen krijgen meer toegang tot onderwijs en arbeid, wat de weg naar kiesrecht effent.
De tweede industriële revolutie maakt de moderne wereld: met staal, stroom, auto’s en globalisering – maar ook met nieuwe risico’s zoals economische crises en imperialistische conflicten.
Tijdperk van stoom en spoorwegen 1830-1880 Symbolen: trein en telegraafKern: VK, uitbreiding naar Europa en VSDoorbraak: 1829 – The Rocket op Liverpool–Manchester-spoorlijnExplosieve groei: Massale aanleg spoorwegen, stoomschepen, telegraaf → versnelling handel, communicatie, schaalvergrotingKantelpunt: Spoorwegmanie (1836-1847): enorme speculatie, sommige lijnen blijken niet rendabel.Volwassenheid: Standaardisatie, goedkope transportkosten, VS en Duitsland sluiten aan.Verzadiging/einde: Lange Depressie (1873-1896): overproductie, prijsdalingen.
Maatschappelijke gevolgen:
Landbouw in Europa krijgt concurrentie van goedkoop Amerikaans graan. Sterke groei wereldhandel. Opkomst middenklasse door handel en industrie. Infrastructuur legt basis voor nationale staten en massamedia. De tweede Kondratieffgolf bouwt voort op de eerste, maar brengt iets nieuws: massaal vervoer en communicatie. De stoomtrein wordt hét symbool van deze tijd. In 1829 rijdt The Rocket op de spoorlijn tussen Liverpool en Manchester, en toont het potentieel van snel, betrouwbaar goederen- en personenvervoer.
Deze periode wordt gekenmerkt door explosieve groei in de mobiliteit. Tussen 1830 en 1850 wordt in het Verenigd Koninkrijk een dicht netwerk van spoorlijnen aangelegd. De stoomtrein maakt transport goedkoper en sneller, terwijl stoomschepen de wereldzeeën ontsluiten. De telegraaf, geïntroduceerd rond 1844, verkort communicatie van weken naar minuten.
De industrialisatie breidt zich uit naar Europa en de VS. IJzer en steenkool worden sleutelsectoren, nodig voor rails, bruggen en stoommachines. De schaalvergroting die in de eerste golf begon, bereikt hier nieuwe hoogten. Onderdelen worden gestandaardiseerd, waardoor productie nog efficiënter wordt.
Tussen 1820 en 1850 verdringen de nog niet-gemechaniseerde fabrieken de traditionele ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen als de meest voorkomende vorm van de productie. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) wordt een conflict uitgevochten tussen de traditionele agrarische zuidelijke staten en de moderne geïndustrialiseerde noordelijke staten. De fabrieken in het noorden hebben vrije, geschoolde arbeiders (‘loonslaven’) nodig terwijl de katoenplantages in het zuiden nog draaiden op slavenarbeid. Het noorden wint de burgeroorlog en de fabrieken hebben in zekere zin de slaven bevrijd.
De economische groei leidt tot speculatie. Tijdens de spoorwegmanie (1836-1847) worden duizenden kilometers spoor gepland en gefinancierd door enthousiaste investeerders. Niet alle trajecten zijn rendabel; sommige leiden slechts naar kleine dorpen, gebouwd op hoop in plaats van vraag. Wanneer de zeepbel barst, gaan veel bedrijven failliet. Het kantelpunt van deze golf is een wake-up call: niet elke innovatie levert eeuwige groei op.
Ondanks de zeepbel veranderen de stoomtreinen en stoomschepen de wereld blijvend. Het transport van goederen wordt sneller en goedkoper, en steden worden verbonden met landelijke gebieden. Amerikaanse landbouw overspoelt Europa met goedkoop graan, wat leidt tot prijsdalingen.
Tegen het einde van de negentiende eeuw loopt de groei vast door overproductie. Vanaf 1873 begint de Lange Depressie, met lage prijzen en werkloosheid in Europa en de VS. De verzadiging van de markt en de toegenomen concurrentie zorgen ervoor dat de marges krimpen.
Maatschappelijk leidt deze periode tot grote veranderingen. De middenklasse groeit dankzij handel en industrie, terwijl de arbeidersklasse verder groeit in omvang en zelfbewustzijn. De democratisering komt langzaam op gang: eisen voor betere lonen en arbeidsomstandigheden klinken luider. Tegelijkertijd ontstaat er een gevoel van nationale eenheid; spoorwegen en media verbinden mensen en regio’s. Steden transformeren in centra van handel, politiek en cultuur.
De tweede golf laat een wereld achter die steeds meer met elkaar verbonden is – fysiek, economisch en cultureel – en die klaarstaat voor de volgende sprong: elektriciteit en wetenschap.
Industriële revolutie 1780–1830 Symbolen: stoommachine en fabriekKern: Midlands (VK)Doorbraak : 1769 – James Watt verbetert de stoommachine → 1771 – Arkwright bouwt de eerste textielfabriek in Cromford (VK).Explosieve groei: Textielnijverheid verplaatst van huisnijverheid naar fabrieken.Kantelpunt: Kanaalmanie (1790–1810): speculatie in kanalen.Volwassenheid: Fabrieksproductie domineert, maar industrie draait nog grotendeels op waterkracht.Verzadiging/einde: Paniek van 1837 → recessie, investeringen trekken terug.
Maatschappelijke gevolgen:
Urbanisatie: plattelandsvlucht, groei van industriesteden. Nieuwe sociale klassen: fabrieksarbeiders en industriëlen. Slechte arbeidsomstandigheden → eerste arbeidersprotesten. Verlies aan autonomie op het platteland. Het einde van de achttiende eeuw markeerde het begin van de moderniteit: de eerste industriële revolutie, aangedreven door de stoommachine. De verbeterde stoommachine van James Watt uit 1769 was meer dan een technische innovatie; het was een motor achter een sociale en economische transformatie. In 1771 bouwde Richard Arkwright in Cromford (VK) de eerste moderne textielfabriek, een symbool voor het nieuwe tijdperk.
Deze golf draait om de katoenindustrie in Groot-Brittannië. Katoen draagt een stuk lekkerder dan wol, linnen of jute. Zijde was voor velen niet te betalen. Door massaproductie in de Engelse textielfabrieken werd het geliefde katoen betaalbaar voor de massa. Het is katoen dat de Midlands in Engeland tot een van de eerste industriegebieden van de wereld omtovert. De stijgende vraag naar katoen gaf een impuls voor de Amerikaanse slavenplantages.
Aanvankelijk draaide deze vroege industrie grotendeels nog op waterkracht. Toch leidde de mogelijkheid om op grotere schaal en in fabrieken te produceren tot een enorme verandering. De textielnijverheid verhuisde van het platteland naar de steden, waardoor fabrieksarbeid in korte tijd dominant werd. Industriesteden als Manchester en Birmingham groeiden explosief door de toestroom van arbeidskrachten, terwijl het platteland langzaam leegliep.
Bij het weven bleef de ambachtelijke werkwijze nog lang overheersen. Terwijl de stoomspinnerijen de hemel zwart kleurden met hun roet, werkten de wevers nog met de hand. Het duurde nog tot 1830 voordat ook bij de stoomweefgetouwen alle kinderziekten waren overwonnen. Door de introductie van de naaimachine kon iedereen vanaf 1840 thuis naaien en ontstond een grootschalige confectie-industrie.
Toen deze eerste golf goed op stoom kwam raakte Engeland bevangen door de zogeheten kanaalmanie. Tussen 1790 en 1810 zagen investeerders goud in de aanleg van kanalen voor goederenvervoer. Sommige kanalen waren winstgevend, maar veel werden nooit afgemaakt of bleken economisch onhoudbaar. Dit was een klassiek voorbeeld van wat econome Carlota Perez later het ‘kantelpunt’ noemde: een periode waarin investeringen hun rendement verliezen, omdat de initiële euforie niet strookt met de werkelijke vraag.
Toch bleef de stoommachine de productie veranderen. De vraag naar goedkope, machinaal vervaardigde textielproducten leidde tot de standaardisatie van processen. De productie werd geconcentreerd in fabrieken, weg van kleinschalige werkplaatsen. Tegelijk leidde deze schaalvergroting tot scherpe tegenstellingen. Arbeiders maakten lange dagen onder erbarmelijke omstandigheden, met weinig rechten of bescherming. Het was de tijd waarin kinderarbeid normaal was en lonen nauwelijks genoeg om van te leven.
Tegen het einde van de jaren 1830 begon de groei te stokken. De paniek van 1837 – een financiële crisis die ook de VS raakte – maakte pijnlijk duidelijk dat de eerste golf zijn verzadigingspunt had bereikt. Veel bedrijven gingen failliet door overinvestering, en de groei vertraagde.
Maatschappelijk liet deze eerste golf diepe sporen na. De industrialisatie veranderde het landschap: fabriekssteden kwamen op, terwijl het traditionele dorpsleven onder druk kwam te staan. Een nieuwe klasse ontstond: fabrieksarbeiders, met een bestaan gekenmerkt door onzekerheid en armoede. Tegelijk kwamen er ook ondernemers en industriëlen die grote rijkdom vergaarden. De tegenstellingen tussen arm en rijk werden scherper zichtbaar, en de kiem werd gelegd voor het communisme.
Ondanks de harde sociale gevolgen legde deze golf het fundament voor de moderne economie. Ze markeerde de overgang naar een tijd waarin machines en techniek het economische leven zouden bepalen. Het idee van schaalvergroting, centralisatie en mechanisering verspreidde zich als een lopend vuurtje – klaar om verder uitgebouwd te worden in de volgende innovatiegolf.
Agrarische revolutie 1720-1780 Symbolen: trekpaard voor de ploeg en plantages met slaven Kern: Engeland Doorbraak: 1701 uitvinding zaaimachine Einde: de Franse Revolutie 1789
Tijdens de laatste pre-industriële golf zien we de rationalisering van de landbouw. In Engeland is de traditionele landbouw en veeteelt gestoeld op open velden en gemeenschappelijke gronden. De productiviteit is laag, mede omdat in het drieslagenstelsel het land elke drie jaar één jaar braak ligt. Het gemeenschappelijk gebruik van de gronden remt de drang tot innovatie. De Engelse adel wil zelf het land bezitten en daarom zijn er al vanaf 1450 zogenaamde Enclosures Acts waarmee wordt gestimuleerd om de akkers met heggen en stenen muurtjes te omheinen en de gronden te privatiseren. Tijdens de agrarische revolutie komt er nog een tweede argument om de percelen te omheinen. Kleine boeren tonen weinig interesse voor innovatieve technieken. Met de Enclosures Acts worden ze wegepest. Omdat ze geen geld hebben voor het omheinen van hun landerijen moeten ze hun land gedwongen verkopen aan grootgrondbezitters. De landlords en rijke boeren willen op hun privégronden wel nieuwe technieken toepassen om de productie te verhogen.
Middels rationalisatie en toepassingen van wetenschappelijke kennis weet men de productie drastisch op te voeren. De Engelse wetenschapper Jethro Tull vindt in 1701 de zaaimachine uit, leidend tot wel acht keer grotere oogsten, hij ontwikkelt een schoffelmachine en hij laat ossen vervangen door sterke en wendbare paarden. De invoering van de keerploeg maakt een betere grondbewerking mogelijk. De Engelse Rotherham ploegschaar uit 1730 heeft reeds een met metaal bekleed strijkbord. Andere innovaties is het selecteren zaaizaden, het fokken van raspaarden en de vervanging het drieslagstelsel naar de vierjarige cyclus van vruchtwisseling. In sommige gebieden wordt het landbouwareaal vergroot door de massale kap van bossen, het droogleggen van moerassen en het in cultuur brengen van andere woeste gronden.
Door de innovaties en schaalvergroting verdubbelt bijna de landbouwproductie en dalen de prijzen van groenten en fruit. Hierdoor begint de urbanisatie en stijgen de bevolkingsaantallen. Door het succes neemt het Britse parlement in 1815 een wet aan waarmeethe commons wettelijk mogen worden onteigend. Bij conflicten kiezen de rechters de kant van de landlords en de rijke boeren. Voor de kleine boeren was dit een ramp. Bij miljoenen trokken ze naar de steden waar ze gingen werken in de fabrieken.
In dit tijdvak ontstaan fabrieken met arbeiders maar nog zonder motoraangedreven machines. Wel vindt Thomas Newcomen in 1710 een stoommachine uit welke mijngangen kunnen leegpompen. Hij bouwt er honderd om de kolenmijnen droog te houden via met stoomkracht aangedreven waterpompen. Hiermee kan men veel dieper graven naar steenkool. Abraham Darby ontwikkelt een methode voor de productie van ruwijzer in een hoogoven, waarbij de tot dan toe gebruikelijke brandstof, houtskool wordt vervangen door de in Engeland ruim voorhanden zijnde cokes. Dit is een belangrijke stap voorwaarts in de productie van ijzer als grondstof voor de industriële revolutie.
Aanvankelijk was reizen per koets alleen voorbestemd voor de elite, maar in de achttiende eeuw kwam de diligence als algemeen vervoersmiddel binnen het bereik van de gewone doorsnee burger. Hoewel de diligences vaak goede vering hadden, was het reizen per diligencean sich niet heel comfortabel. De reizigers werden gedurende het traject flink door elkaar geschud en kwamen doorgaans geradbraakt op hun bestemming aan.
Tijdens deze golf worden in Europa koffiehuizen populair. Dit nieuwe verschijnsel werd in de achttiende eeuw hét symbool van het moderne, verlichte stadsleven. Naast het kopje koffie geniet men ook van tabak, cacao, tabak, rietsuiker en thee. Door deze stijgende vraag naar deze tropische producten breken er voor de plantagehouders gouden tijden aan.
Voor de investeringen is veel geld nodig en hiervoor wordt een nieuw financieel product aangeboden: de negotiaties (het woord is afgeleid van negotie, ‘handel’). Negotiaties bestaan uit hypothecaire leningen aan plantagehouders, gebundeld in obligaties. Als onderpand voor de leningen fungeren de plantages: de grond, gewassen, gebouwen, werktuigen en de slaven die als menselijk kapitaal ongeveer een derde uitmaakt van de waarde van een plantage. Door de overvloedige beschikbaarheid van kredieten verstrekt door banken wordt de enorme expansie van de slavernij-economie in de tweede helft van de achttiende eeuw aangejaagd.
Het hoogtepunt van de negotiatie-manie was 1769-1771 toen voor koffie recordprijzen werden betaald. Op slavernij gebaseerde activiteiten leveren ongeveer 5 procent van het bruto binnenlandse product van de Republiek, 10 procent van het gewest Holland en 30 procent van de stad Amsterdam op. De winsten van de plantages worden voor een aanzienlijk deel besteed aan het bouwen van fraaie buitenhuizen en het aanleggen van kunstverzamelingen, poppenhuizen en rariteitenkabinetten.
De negotiaties zijn de voorlopers van hedendaagse financiële constructies. Verhandelbare leningen met hypotheken als onderpand worden tegenwoordig mortgage backed securities genoemd. Ze lagen aan de basis van de kredietcrisis van 2008-2009, toen de Amerikaanse hypotheekmarkt instortte en banken wereldwijd onderuit gingen.
De negotiatie-boom eindigt als een zeepbel toen aan de West-Indische beleggingen abrupt een einde kwam nadat in de zomer van 1772 in Engeland en Schotland een bankencrisis was uitgebroken door speculaties met aandelen van de East India Company en Britse West-Indische plantageleningen. In 1772 waren er faillissement van banken in Londen en Amsterdam. De twintig belangrijke banken in Londen gingen failliet nadat één bankbedrijf in gebreke was gebleven.
Plantagehouders gaan gebukt onder hun schuldenlast, betalingsachterstanden nemen toe, de productie van suiker en koffie neemt af en het aantal slaven wordt gedwongen teruggebracht. Na 1785 herstellen de marktprijzen voor koffie en suiker zich, maar de naweeën van de crisis in de plantageleningen blijven tot ver in de negentiende eeuw doorwerken. De slavernij loopt dan op zijn laatste benen.
Deze periode eindigt met verschillende financiële crises. In 1796-1797 is er een Britse en Amerikaanse kredietcrisis veroorzaakt door landspeculatiezeepbel. En de Franse schuldencrisis (1783-1788) leidt tot de Franse Revolutie waarmee de Moderne Tijd begint.
Pruikenrevolutie 1680-1720 Symbolen: microscoop en slingeruurwerk Kern: Engeland en Frankrijk Doorbraak: 1687 Principia van Isaac Newton Einde: de Mississippi-bubbel in 1720
In deze periode begint de intellectuele beweging van de Verlichting welke haar wortels heeft in de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw. Veel historici beschouwen het werk Principia (1687) van Isaac Newton (1643-1727) als hét startpunt van de Verlichting. In dit werk ontvouwt Newton zijn universele bewegingsleer, de wetten van de zwaartekracht en een mathematische en empirische benadering van de natuurkunde.
Newtons mechanica- en zwaartekrachtswetten versterken het idee dat de aarde een gewone planeet is die om de zon draait en dat de zwaartekracht de beweging in het heelal kan verklaren. Allerlei verschijnselen die tot dan toe aan magie of aan God werden toegeschreven, krijgen een rationele verklaring. Bijvoorbeeld de uitvinding van Benjamin Franklin van de bliksemafleider (1752) toont wetenschappelijk aan dat het hemelvuur niet de toorn van God is, maar een vorm van elektrische ontlading die veilig kan worden weggeleid. Met deze inzichten ontstaar het deïsme, dat wel gelooft dat er een God bestaat, maar dat die zich niet met de aarde bemoeit. God had de aarde en natuurwetten als een soort horlogemaker in elkaar gezet, de klok opgewonden, maar bemoeide zich veder niet meer met de wereld.
Terwijl Isaac Newton en Gottfried Wilhelm Leibniz de wiskundige analyse ontwikkelen, vindt het werk van veel wetenschappers zijn weg in praktische toepassingen. Het slingeruurwerk dat Christiaan Huygens in 1656 uitvindt levert een klok op die veel nauwkeuriger loopt dan alle tot dan toe gebouwde uurwerken. Het maakt tijdmeting dus een stuk preciezer. Tijdens deze golf zien we allerlei handige uitvindingen zoals het zakhorloge, sextant, thermometer, microscoop, telescoop, rekenliniaal, barometer, welke van nut zijn voor de krijgsmacht en de scheepvaart. Er kunnen bijvoorbeeld preciezere zeekaarten en wapens gemaakt worden. Hierdoor krijgen Europeanen nog meer overwicht in de wereld.
De Kerk ziet de wetenschap als een bedreiging op hun monopolie van de waarheid maar de wereldlijke macht ziet het voordeel van de wetenschap, en de adel stopt geld in onderzoek en brengen wetenschappers bij elkaar, zodat ze samen tot nog betere uitvindingen en ontdekkingen zouden komen. Wetenschappelijke genootschappen en academies, zoals de Royal Society in Engeland (1660) en de Académie des Sciences (1666) in Frankrijk, worden met de koninklijke zege opgericht. Deze instellingen zorgen voor een platform voor de uitwisseling van ideeën, wat leidt tot een versnelling van wetenschappelijke vooruitgang en een bredere acceptatie van nieuwe kennis binnen de samenleving. Ook de gegoede burgerij las en schreef steeds meer. Alleen, of in genootschappen, salons en leesbibliotheken. Mannen, vrouwen, kinderen, gezamenlijk verkende men de maakbaarheid van de mens en de samenleving. De toenemende beschikbaarheid van boeken en tijdschriften speelt een cruciale rol in de verspreiding van wetenschappelijke kennis. In de eerste encyclopedie (gepubliceerd tussen 1751 en 1772) presenteert alle menselijke kennis alfabetisch. De samenstellers proberen het voor de gewone burger gemakkelijker maken om zichzelf te onderwijzen en te verlichten zonder hulp van de kerk, die tot dan toe het monopolie op onderwijs had. Filosofen zoals Voltaire en de markiezin Émilie du Châtelet zorgen ervoor dat de ideeën van Newton en anderen beschikbaar worden voor een breed publiek door ze te vertalen en te vereenvoudigen.
Ook dichters raken geïnspireerd door de wetenschappelijke ontdekkingen. Newton\'s Opticks (1704) verandert het wereldbeeld van de Engelse dichters en beïnvloedt tegelijkertijd de ideeën-inhoud en beeldspraak van de poëzie ingrijpend. De poëzie opent de ogen voor de ontdekkingen van de chemicus, de botanicus en de mineraloog. Dichters en onderzoekers leven in symbiose met elkaar, ze worden immers allebei gedreven door verwondering over de geheimen van het universum.
Rond 1700 kondigen zich al verschillende kenmerken van de moderne tijd aan. Tijdens de Pruikenrevolutie verandert de manier waarop de mensheid de wereld begrijpt. Voorheen domineren religieuze en mythologische verklaringen van natuurlijke fenomenen. Met de opkomst van empirische wetenschap en rationeel denken begint men de wereld steeds meer te zien als een mechanisch systeem dat kan worden begrepen door observatie, experimenten en wiskundige analyse. Men gaat de natuur en later zelfs de mens begrijpen vanuit abstracte modellen. De paradigmaverschuiving legt de basis voor de moderne wetenschap en technologie en heeft een diepgaande impact op de filosofie, de economie, en de cultuur. Het zou leiden tot de secularisatie van de samenleving, een groeiend geloof in menselijke rede en vooruitgang, en een grotere nadruk op individuele vrijheid en kritisch denken.
De Pruikenrevolutie eindigt in 1720 met de Mississippi-bubbel in Frankrijk. Aan het begin van de zeventiende eeuw raken de Fransen in de ban van investeringen in Noord-Amerika. De vraag naar aandelen in Amerikaanse bezittingen nam ongekende proporties aan, op een gegeven moment staan de te verwachten opbrengsten totaal niet meer in verhouding tot de investeringen. In 1720 klapt de bubbel. Omdat de Mississippi-compagnie, verantwoordelijk voor de Frans-Amerikaanse bezittingen, sterk verweven is met de overheid, neemt de crash de Franse economie mee in zijn val.
Openbaar vervoer 1640-1680 Symbolen: trekschuit en postkoets Kern: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, verspreidend naar Engeland Doorbraak: 1632 ingebruikname Haarlemmertrekvaart Einde: de Glorious Revolution 1688-1689
Na de nijverheidsrevolutie ontstaat er behoefte aan het opzetten van openbaarvervoernetwerken. In Holland worden er in deze periode tussen de steden trekvaarten gegraven en een uiterst efficiënt systeem van lijndiensten opgezet. De trekschuiten vervoeren honderdduizenden passagiers per jaar. De trekschuiten zijn relatief goedkoop, de verbindingen sluiten vaak goed op elkaar aan, en het hele netwerk functioneert met de betrouwbaarheid van een uurwerk.
Het heuvelachtige Frankrijk mist wat Nederland en Engeland in overvloed hebben; een netwerk van rivieren en kanalen om goederen te vervoeren. De Franse koningen proberen dit euvel op te lossen met de aanleg van ingenieuze kanalen dwars door Frankrijk zoals het Midikanaal waarmee schepen de lange omweg rond het vijandige Spanje konden vermijden.
Voor het vervoer over land worden bij het begin van de zeventiende eeuw de eerste lijndiensten met koetsen opgezet. Dat begint met vrij korte afstanden binnen steden of tussen plaatsen onderling. London heeft in 1634 een primeur met ingespannen koetsen die reizigers vervoeren zoals taxi’s. Hierna worden in steeds meer Europese steden lijndiensten opgezet met geregelde diensten met vastgestelde tijden. Aanvankelijk is er een groot tekort aan geschikte paarden. Door verbeterde fokprogramma’s komen er meer en betere trek- en tuigpaarden beschikbaar om het groeiende aantal koetsen te kunnen trekken. Onderhoud aan wegen krijgt meer aandacht en in de steden worden de straten geplaveid. Door de lijndiensten ontstaat er een wegennet in Europa met steeds meer en betere herbergen, wisselstations voor paarden (uitspanningen) en andere voorzieningen voor reizigers. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, bestaan herbergen in de middeleeuwen nog nauwelijks.
Om het koetsverkeer in goede banen te leiden komen er in de steden tal van verordeningen om de overlast te verminderen. In Amsterdam mogen kruiwagens en manden vanaf 1634 niet meer op straten of bruggen worden geplaatst. Om de straat meer ruimte te geven komen er regels voor de grootte van uithangborden en het voorschrift dat de deuren naar binnen moesten opengaan. In 1634 wordt een rijverbod voor koetsen ingevoerd. Later komen er allerlei uitzonderingen op deze regel omdat er veel overtredingen waren. Om beschadigingen aan de klinkers te beperken kwamen er bepalingen waarin de minimale breedte van de ijzeren velgen werd aangegeven.
Bij het einde van deze golf gaat de macht geleidelijk over van de Republiek naar Engeland. De Republiek is voor Engeland een voorbeeld. De Engelse adel wil het ‘goddelijk recht van de koning’ inperken en zij verzoekt de Nederlandse stadhouder Willem III om Engeland te veroveren en hun katholieke koning te verdrijven. Dit geschiedde bij de Glorious Revolution (1688-1689). Willem wordt Koning van Engeland en staat met de Bill of Rights veel koninklijke macht af aan het parlement en dus aan de adel. De democratisering in Engeland tijdens de Glorious Revolution wordt als begin van de Verlichting aangemerkt.
De Republiek krijgt met de nieuwe dubbelmonarchie er een sterke bondgenoot bij maar na Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), was de Republiek echter wel uitgeput en verloor zij haar positie als grote mogendheid voorgoed. Bovendien verplaatsten na 1688 de grote handels- en bankiershuizen hun activiteiten ook steeds meer van Amsterdam naar Londen. Na 1713 werd het Koninkrijk Groot-Brittannië, waarin ook Schotland was opgenomen, de voornaamste rivaal van het machtige Frankrijk.
Nijverheidsrevolutie 1600-1640 Symbolen: windmolen en turfwinning Kern: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden Doorbraak: 1602 – oprichting voc Einde: het Rampjaar 1672
Tijdens de Nijverheidsrevolutie zien we in de Republiek de contouren verschijnen van het moderne kapitalisme. Mijlpaal hierin is de oprichting van de voc in 1602: de eerste naamloze vennootschap waarin investeerders hun risico’s kunnen spreiden. De voc groeit uit tot de eerste multinational van de wereld met vestigingen in een tiental Aziatische landen. Het handelskapitalisme dat met de voc en de wic begon is ondanks alle risico’s zeer profijtelijk.
Voor de handel in aandelen wordt in 1611 in Amsterdam de eerste Nederlandse koopmansbeurs geopend. In die tijd worden ook verschillende banken opgericht, zoals de Amsterdamsche Wisselbank en meerdere banken van lening. De introductie van papiergeld (de bankwissel) vergemakkelijkt de handel.
Symbool voor de nijverheidsrevolutie is de windmolen. De houtzaagmolen komt vanaf 1592 in ontwikkeling door de toepassing van de krukas. In 1593 ontvangt Cornelis Corneliszoon van Uitgeest octrooi op zijn vinding om op windkracht hout te zagen. Er ontstaat een industrie van houtzaagmolens welke worden gebruikt voor de scheepsbouw. Met behulp van windkracht ontwikkelt de Zaanstreek zich in de 17e eeuw tot het eerste industriegebied ter wereld.
Aan het begin van de eeuw wordt in Holland een nieuwe manier van turfwinnen noodzakelijk om aan de vraag van de groeiende steden te kunnen voldoen. Door de introductie van de baggerbeugel wordt het mogelijk het veen onder de waterspiegel weg te baggeren, een praktijk die slagturven wordt genoemd. De in West-Nederland door vervening ontstane plassen worden later vaak weer drooggelegd met behulp van windmolens. Een succesvolle droogmakerij uit die tijd was de droogmaking van de Beemster dat werd gefinancierd met particulier kapitaal van voornamelijk welgestelde Amsterdamse kooplieden.
De Nijverheidsrevolutie wordt gekenmerkt door een proces van commercialisering en specialisatie van productie. In de landbouw zorgen nieuwe technieken en werktuigen dat de opbrengsten per hectare stijgen. Hierdoor neemt de voedselproductie toe en dalen de voedselprijzen en gaan de boeren produceren voor de markt. Grootgrondbezitters krijgen grote stukken landbouwgrond in handen waardoor boerenfamilies in Noordwest-Europa zich gaan richten op huisnijverheid zoals het spinnen van wol en het maken van kaas. Veel kleine boeren verhuizen gedwongen van het platteland naar steden om te werken voor een loon.
Het kantelpunt van de Nijverheidsrevolutie is de Hollandse Tulpenmanie. Op het toppunt van de tulpenmanie, in 1637, moest je maar liefst 10.000 gulden betalen voor een enkeleSemper augustus -bol, de heilige graal onder de tulpen. Voor hetzelfde bedrag kon je in die tijd een Amsterdams grachtenpand kopen, compleet met tuin en koetshuis. Nog datzelfde jaar stortte de markt voor tulpenbollen volledig in. De tulpenmanie wordt gezien als de eerste uitgebreid gedocumenteerde economische bubbel uit de geschiedenis.
De Nijverheidsgolf eindigt met het Rampjaar 1672, wat het einde betekent van de Nederlandse Gouden Eeuw.
Verovering Amerika 1555-1600 Symbolen: zilvervloot en wereldkaarten Kern: het Spaanse Rijk, en opkomend de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Terwijl in Europa de godsdienstoorlogen woeden, gaan Spaanse jonge mannen op hun karvelen en galjoenen gedreven door overbevolking, geloofsijver en winstbejag op zoek naar El Dorado. De Spaanse conquistador Hernán Cortés veroverde het rijk van de Azteken tussen 1519 en 1521. Via zijn moeder was hij verwant aan een andere conquistador: Francisco Pizarro, de latere veroveraar van de Inca’s. Het ging de Spanjaarden vooral om de grote hoeveelheden goud, zilver en andere kostbaarheden. Die werden jaarlijks in grote hoeveelheden vervoerd naar Spanje met de beroemde zilvervloot.
Als de Portugezen met de handel in het Oosten concurrentie krijgen van Engeland en Holland zet Portugal de kolonisatie van Brazilië in gang waar ze lucratieve suikerplantages gaan exploiteren. De eerste kwamen er rond 1550 en al snel lag de productiviteit in Brazilië hoger dan die op de Atlantische eilanden. Omdat de inheemse bevolking door de komst van de Europeaan massaal sterft aan de voor hen nieuwe ziektes, zoals pokken, pest, tyfus, griep en mazelen biedt bood de Trans-Atlantische slavenhandel een oplossing voor het tekort aan arbeidskrachten voor de plantages. Vanaf 1560 is er een continue slavenhandel en komt de driehoekshandel tussen Europa, Amerika en Afrika op gang. Ook Spanje gaat zijn bezit in Amerika exploiteren en de Spanjaarden creëren in Latijns-Amerika een nieuwe beschaving die wordt gedomineerd door de Europese cultuur en Spaanse taal.
In de zestiende eeuw brengen Europese zeevaarders en ontdekkingsreizigers veel onbekende gebieden in kaart en langzaam krijgt men een steeds beter beeld van de ligging van de continenten. Goede kaarten maken het verschil tijdens oorlogen of bij het veroveren van nieuwe gebieden. Een eeuw eerder werd kennis over zeeroutes nog zoveel mogelijk geheim gehouden. Er zijn aanwijzingen dat de Portugezen al voor Columbus Amerika hadden ontdekt, en dat Columbus hier achter was gekomen. In de zeventiende eeuw worden de atlassen en kaarten die zijn gedrukt in het bedrijf van de familie Blaeu in Amsterdam wereldberoemd. Koningen, tsaren en andere groten der aarde, allemaal willen ze een mooi uitgegeven atlas of fraaie globe van Blaeu. Ze staan symbool voor rijkdom en kennis.
Voor een tijdje waren eerst Portugal en later Spanje de twee machtigste landen in Europa. Om conflicten met elkaar te vermijden verdelen ze met het Verdrag van Tordesillas in 1494 de niet-Europese wereld. Halverwege de zestiende eeuw is het Spaanse Rijk de grootste politieke macht ter wereld, en Karel V noemt het dan ook het rijk waar de zon nooit ondergaat.
In het kielzog van de Portugezen en Spanjaarden speelt Noord-Europa een actieve rol in de kolonisatie. Het beschikt over grote economische en menselijke hulpbronnen. Engelsen, Fransen Nederlanders bouwen hun koloniale rijken op door te profiteren van de zwakke economische structuren van Spanje en Portugal én van de politieke situatie. Het handelskolonialisme in het Oosten en de slavenplantages in Amerika dragen bij aan de ontwikkeling van het kapitalisme.
De hele economische structuur raakt gericht op maximale winst, vaak zonder oog voor duurzaamheid of het welzijn van de mensen die het werk uitvoerden. Zo ontstaan echte winstfabrieken, waar natuur en mensenlevens ondergeschikt zijn aan de opbrengsten.
Vuur op het slagveld 1510-1555 Symbolen: vuurwapens en fortificaties
Kern: Spanje
Begin zestiende eeuw vechten de Europese legers nog min of meer zoals in de oudheid. De meeste legers bestaan uit voetsoldaten, doorgaans met een lange lans (piek) of diverse handwapens. Ze worden bijgestaan door zware cavalerie die met een omtrekkende beweging de vijand in de flank kon aanvallen of zich indien nodig een weg kan banen door een vijandelijke formatie. Daarnaast zijn er kleine eenheden gewapend met musketten (haakbussen). Als Spanje begin zestiende eeuw betrokken raakt bij een reeks oorlogen in Italië, veranderen de tactieken van oorlog voeren door de komst van het musketgeweer, en het gebruik van kruit en artillerie.
Tegen de achtergrond van de opkomst van de nationale staten en de vele (godsdienst)oorlogen worden de infanterielegers groter, professioneler en de soldaten worden beter getraind om te vechten in formaties. Ook de defensie verandert. Forten en kastelen en later waterlinies en vestingwerken worden goed bestand tegen kanonskogels en belegeringen.
Tijdens deze golf krijgt Europa een enorme militaire voorsprong. De Europeanen ontwikkelen superieure wapens, onneembare fortificaties, getrainde en gedisciplineerde legers, geraffineerde militaire tactieken en zouden met een niet te stillen honger naar avontuur tijdens de volgende golf de wereld veroveren. De ironie is dat Europa de wereld niet verovert met superieure ideeën, waarden of religie, maar door superioriteit in de georganiseerde uitoefening van geweld.
Grote Zeilvaart 1465-1510 Symbolen: driemaster en kompas Kern: Portugal en Spanje
Dat Europa de wereld heeft ontdekt en veroverd, is opvallend omdat de Europeanen een grote achterstand hadden. De islamitische, Indiase en Chinese zeevaarders liepen voorop in de navigatietechnieken, de wiskunde en astronomie en navigatie-instrumenten zoals het astrolabium, kwadrant en jacobsstaf. In China had men eerder het buskruit, de boekdrukkunst en het kompas uitgevonden. Toch waren het de Europeanen die veel sneller de vele potenties van deze vindingen benutten. De zeventiende-eeuwse filosoof Francis Bacon verwonderde zich erover dat de drie genoemde Chinese uitvindingen het aanschijn van de wereld veel meer had veranderd dan de kerk, staten en filosofen ooit hadden kunnen teweegbrengen.
De doorslaggevende factor van de expansie van de Europeanen is hun mentaliteit. Want een oversteek van een oceaan is zelfs nog in de achttiende eeuw een riskante onderneming. De omstandigheden aan boord zijn erbarmelijk. Door de gevaren van ondervoeding, schipbreuk, muiterij, vijandige inboorlingen of oorlog met de concurrerende buurlanden is de kans op een veilige thuiskomst ongeveer vijftig procent. De Arabieren en Chinezen zien geen nut in het nemen van zulke hoge risico’s, maar de Europeanen hebben goede economische motieven: het omzeilen van de Arabische tussenhandelaars bij de specerijenhandel met Indië.
Deze innovatiegolf draait om grotere en snellere schepen. Tot in de veertiende eeuw is de tuigage van de schepen beperkt tot één mast en beperkt de zeevaart zich voornamelijk tot de kustvaart. In de loop van de eerste helft van de vijftiende eeuw worden er grotere schepen met twee of drie masten gebouwd. In West-Europa gaat de ontwikkeling al spoedig in de richting van de driemaster waarmee de periode van de Grote Zeilvaart aanbreekt.
In deze periode verliezen de schepen de kasteelvormige constructies op de bak - nodig om andere schepen te kunnen enteren - door de introductie van het kanon op schepen, waardoor de noodzaak tot enteren vermindert. Dit is duidelijk te zien bij het galjoen.
Met grote en snelle schepen gaan de Europeanen – met de Portugezen voorop – de wereldzeeën verkennen op zoek naar nieuwe handelsroutes. De Portugezen hebben op maritiem gebied grote vooruitgang gemaakt dankzij de kennis van Arabische astronomie en wiskunde, die bekend is op het Iberisch Schiereiland. Zij leren de winden en zeestromen te gebruiken. Zeer belangrijk hierbij is de staatssteun bij een zeevaartschool in Sagres waar experts op het gebied van navigatie en cartografie samenkomen en bouwen aan de opkomst van Portugal als een zeevarende natie.
Vanaf 1415 gaan de Portugezen onder leiding van Hendrik de Zeevaarder systematische expedities houden langs de Afrikaanse kusten. Het uiteindelijke doel is om via Afrika India te bereiken en zo rechtstreeks toegang tot de rijkdommen en specerijen van het Oosten te verkrijgen, zonder afhankelijk te zijn van de Arabieren en Venetianen als tussenpersonen. Een mijlpaal is toen Bartholomeus Diaz in 1488 Kaap de Goede Hoop bereikte. In 1497 voltooit Vasco da Gama de reis rond Afrika met de eerste zeereis van Europa naar India.
Het hoogtepunt van deze golf is de ontdekking van Amerika in 1492 door Christoffel Columbus, wat hij abusievelijk aanziet voor eilanden nabij India. Het is Amerigo Vespucci die zich bewust wordt dat de Nieuwe Wereld een onontdekt continent moet zijn en naar hem is Amerika genoemd. Dankzij de Grote Zeilvaart kunnen Europeanen de wereld ontdekken en koloniseren en ontwikkelt zich het lucratieve handelskolonialisme en de slavenplantages in Amerika.
Kennisexplosie 1420-1465 Symbolen: drukpers en papier Kern: Heilige Roomse Rijk en Venetië
De uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg in 1440 markeerde een cruciale verandering in de manier waarop kennis wordt verspreid. Voor de komst van de drukpers is het kopiëren van teksten een tijdrovende en dure aangelegenheid, beperkt tot handmatige transcriptie door monniken en schrijvers. Verspreiding en uitbreiding van kennis is überhaupt geen doel van de middeleeuwse wetenschappers. De macht van kennis moet binnen de kloostermuren blijven. Deze geheimhouding zien we nog bij Leonardo da Vinci (1452-1519) die al zijn bevindingen met opzet in spiegelschrift schrijft en het nooit publiceert. De inhoud van het Italiaanse genie blijft dan ook tot de negentiende eeuw verborgen en kan dus tot die tijd andere wetenschappers en ingenieurs niet op een directe manier inspireren. Deze geheimhouding blijft nog gebruikelijk onder alchemisten, maar andere wetenschappers gaan na Da Vinci hun bevindingen juist wel verspreiden.
Met de drukpers wordt het mogelijk om boeken en andere publicaties op grote schaal te reproduceren, de kosten dalen en meer mensen dan ooit tevoren gaan boeken lezen. Gutenberg verwerft alom faam met zijn gedrukte Bijbeluitgave van 1456. Al snel verspreidt Gutenbergs uitvinding zich over Europa. Overal produceren drukpersen allerlei teksten zoals religieuze werken en leerboeken, reformatiepamfletten en onder invloed van de humanistische beweging de klassieke literatuur uit het oude Griekenland en Rome. De uitvinding van de boekdrukkunst betekent een revolutie in de verspreiding van kennis en ideeën en legt de basis voor de moderne informatie- en communicatierevolutie.
Deze technologische vooruitgang stimuleert de vooruitgang in de wetenschap. Het stelt onderzoekers en wetenschappers in staat om hun bevindingen breder te delen en vondsten sneller te verspreiden. Voor het eerst kan informatie massaal worden gedeeld, wat zorgt voor samenwerking en debat tussen intellectuelen. De astronoom Nicolaas Copernicus zou met zijn boek, De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen), net voor zijn dood gepubliceerd in 1543, met de Copernicaanse revolutie het wereldbeeld totaal veranderen. Het boek draagt bijzonder veel bij aan de wetenschappelijke revolutie.
Dankzij de boekdrukkunst komen Bijbelvertalingen beschikbaar in de volkstalen. Dit stelt leken in staat om zelf de Bijbel te lezen en te interpreteren, zonder afhankelijk te zijn van de interpretaties van de geestelijkheid. Dankzij de boekdrukkunst kunnen Luthers ideeën snel en wijd worden verspreid. Binnen enkele weken worden kopieën van zijn stellingen door heel Duitsland gelezen, en binnen enkele jaren hebben zijn geschriften heel Europa bereikt. Deze snelle verspreiding zou ondenkbaar zijn geweest zonder het gebruik van de drukpers.
Tijdens deze golf valt de ontwikkeling van de prentkunst nauw samen met de ontwikkeling van de drukkunst, hetgeen duidelijk blijkt uit de naamgeving: een prent heette vroeger ‘print’ en ‘printen’ betekende drukken. De bedoeling van beide kunsten is dezelfde: op grote schaal een tekst of beeld vermenigvuldigen en verspreiden. Het prille begin van de prentkunst is rond 1400. Met druktechnieken zoals gravures en later etsen wordt de prentkunst belangrijk voor de visualisatie van kennis. Zowel boeken als de prentkunst maken gebruik van een nieuw product uit China: het papier.
In de schilderkunst komt het gebruik van olieverf in zwang. Met olieverf kan de kunstenaar met subtiele kleurovergangen, diepere schaduwen en levendigere details zijn tafereel tot leven wekken, iets wat met de temperaverf die daarvoor wordt gebruikt niet mogelijk is. In de vijftiende eeuw perfectioneren Vlaamse meesters zoals Jan van Eyck het gebruik van olieverf. Italiaanse en Hollandse meesters gebruiken olieverf om hun beroemde schilderijen te maken. De stijl wordt realistisch en kunstenaars gaan hun werk signeren. De individuele portretten komen op als een nieuw genre en naast de Bijbelse voorstellingen verschijnen er ook aardse thema’s, zoals het landschap en mythologische onderwerpen. De proportieleer wordt ontwikkeld en het perspectief wordt herontdekt. In de architectuur worden in de plattegronden en gevels van kerken, palazzo en woonhuizen symmetrieassen en geometrische vormen zoals cirkels en vierkanten veel toegepast. Regelmaat verdringt chaos.
Opkomst geldeconomie Het moderne kapitalisme ontstaat in de veertiende eeuw in Italië. Dit valt in het Tijdgeestmodel in het historische Schorpioentijdperk (1246-1426). Schorpioen is een tijd van crises en transformatie: in de veertiende eeuw transformeert het Middeleeuwse feodalisme naar het moderne kapitalisme.
Kapitalisme Leenstelsel systeem vrije markt hofststelsel betaling in geld natura individu is vrij gebonden individu heeft rechten plichten kapitaal in particulier eigendom adellijk bezit gedreven door winstbejag landeigendom productie markt zelfvoorzienend verhoudingen concurrentie patronage structuur klassen standen werk loonarbeider lijfeigenschap rol overheid toezichthouder centraal gezag voordelen werk wordt beloond veiligheid wordt verzekerd innovatief, groei stabiliteit, ordelijk nadelen ongelijkheid, crisis star
De verschillen tussen het middeleeuwse leenstelsel en het moderne kapitalisme. In de Middeleeuwen werd het vragen van rente door de Kerk beschouwd als een zonde. Rentenieren werd moreel afgekeurd. Geldschieters hadden in de Bijbel een slechte naam. In 789 voerde Karel de Grote een totaal renteverbod in. Met het ‘woekerverbod’ werd het vragen van een rente strafbaar.
In de tijd van Karel de Grote ontstaat het feodale systeem. Dit systeem kent nauwelijks geld. Economisch gezien is dit systeem gebaseerd op het bezit, en in het bijzonder het grondbezit dat in het leenstelsel is uitgeleend. De boeren lenen de grond bij een lagere edelman. Als tegenprestatie moeten de boeren een deel van de oogst afstaan en diensten verlenen. De leenman biedt in ruil hiervoor bescherming. De boeren betalen geen rente of aflossing over hun schuld, waardoor zij hun hele leven economisch gebonden blijven aan hun leenman. De schuld van de uitgeleende grond gaat over van vader op zoon. De boer is hiermee horige, een soort slaaf. De leenman heeft de grond in leen bij een leenheer, welke het in leen heeft bij bisschop of graaf, en zij zijn leenman van de koning en de koning staat in het krijt bij de keizer.
In het feodale stelsel heeft een boer weinig motivatie om meer te produceren omdat hij toch altijd horige blijft. Ook door het gebrek aan concurrentie en het ontbreken van een vrije markt zijn er weinig prikkels om het werk slimmer of efficiënter te doen. Het op bezit gebaseerde systeem zit economisch op slot.
Tegenover het ‘slapende’ grondbezit staat het eigendom. Eigendom is bezit dat op de markt wordt aangeboden. Een gebouw in bezit kan je gebruiken, een gebouw in eigendom kan je verhuren. En dat brengt geld op. Grond in bezit kan je verbouwen, grond in eigendom kan je winstgevend verpachten. En met de grond of het gebouw als onderpand kan iemand geld lenen. Met dit geleende geld kan iemand een schip kopen of een fabriek bouwen. Eigendom creëert kapitaal en met het kapitaal kunnen economische innovaties worden gefinancierd. Hoe meer eigendom er is, hoe meer onderpand er is voor geldscheppend krediet. Over het geleende geld (de schuld) moet iemand rente betalen. En juist de last van het betalen van de rente is in het kapitalisme de prikkel tot innovaties. Iemand met schulden werkt harder dan wanneer iemand renteniert over zijn bezit. Dat is een belangrijk verschil tussen de middeleeuwse economie en het kapitalisme.
De transformatie van feodalisme naar kapitalisme gaat gepaard met de grootste crisis in de geschiedenis van Europa: de Zwarte Dood. In de periode 1347-1351 sterft een derde deel van alle Europeanen, zijnde enkele tientallen miljoenen, aan de pest. De Zwarte Dood maakt de weg vrij voor het moderne kapitalisme.
Enkele belangrijke innovaties in de veertiende eeuw:
Overal worden op kloosters en kerken torenklokken aangebracht. De besturen van de steden willen ook een klok voor hun stad, omdat het als een prestigeobject wordt gezien. Rondtrekkende klokkenmakers worden ingehuurd om klokken te bouwen, met als resultaat dat tegen 1400 elke stad een klok heeft. De techniek van het glasblazen komt vanuit Venetië naar Noordwest-Europa. Het haring kaken raakt in gebruik. Hierdoor is de haring langer houdbaar. Het moderne kanon wordt omstreeks 1325 in Italië uitgevonden, nadat het buskruit door ontdekkingsreizigers naar Europa is meegenomen. Er treedt een commercialisering van de oorlogsvoering op, waarbij Milaan en Venetië het voortouw nemen met het gebruik van huursoldaten. De macht verschuift daardoor van de lokale heren naar de koning. De ridderstand verliest daarmee aan betekenis en daarmee de daarbij horende gedragscode. Oprichting van gilden: belangenorganisaties van personen met hetzelfde beroep. Deze innovaties zijn niet de baanbrekende vernieuwingen waardoor een innovatiegolf zou kunnen beginnen. De grote innovatie waarmee het kapitalisme zou beginnen is het begin van de geldeconomie.
Symbolen: bank en florijn Kern: Florence en Venetië
Niet een koning, paus of keizer maar de stedelijke burgerij bevrijdt zich uit de Middeleeuwen. De stedelingen staan buiten het feodale systeem en zij genieten economische vrijheid. Nadat vanaf de tiende eeuw de handel aantrekt en de welvaart stijgt, worden de Italiaanse kooplieden steeds rijker en op een gegeven moment willen zij hun economische macht verzilveren met bestuurlijke macht. Met succes eisen zij hun rechten op. Zij gaan deelnemen aan het bestuur, onder voorwaarde dat zij ingeschreven staan bij een gilde (Arte). Met de concentratie van geld en macht in de steden wordt het onvermijdelijk dat de steden hun omliggende land gaan overheersen. De feodale landadel wordt meegezogen in de sociaaleconomische vernieuwing. Hun grond gaat van bezit naar eigendom. Hiermee komt er geldscheppend krediet, dat wordt geïnvesteerd in de handel en nijverheid. De terugkeer van de geldeconomie is de motor achter de Renaissance.
Bij het begin van het historische Schorpioentijdperk begon het feodale systeem te kraken. In de twaalfde eeuw hadden vorsten geld nodig voor o.a. oorlogen, kruistochten en bouwprojecten maar de paus verbood alle christenen om rente te heffen en beroepsmatig geld uit te lenen. De Joden boden de oplossing; zij hoefden het pauselijke woekerverbod niet te gehoorzamen. Een win-win situatie kwam tot stand: de Joden werden de bankiers voor de vorsten en in ruil voor de geldleningen boden de vorsten de Joden bescherming en een inkomen. Ook de Orde van de Tempeliers (1120-1312) bezit een banksysteem. Officieel vragen ze geen rente, maar met trucjes verdienen ze goed geld aan de leningen. Gaandeweg krijgen de tempeliers ook koningen en pausen als klant. Dat wordt ook hun ondergang. Veel Europese heersers die de tempeliers geld schuldig zijn, keren zich tegen hen. Filips IV van Frankrijk begint de orde te vervolgen, o.a. omdat hij aast op het vermogen ervan. Als de orde in 1310 wordt uitgeroeid, zien vooral de Italianen hun kans schoon om in het gat te springen, en in rijke steden als Florence en Milaan worden banken geopend.
Toen de Italiaanse bankiersfamilies de rol de Joden en de tempeliers overnamen moesten ook zij met wat omzichtigheid het woekerverbod omzeilen. Hiervoor gebruikten ze verschillende trucs en juridische constructies. Ze rekenden bijvoorbeeld geen rente, maar een vergoeding voor hun diensten, of ze vermomden de rente als een boete voor te late betaling. Ze richtten hun boekhouding op zo’n manier in dat de rente werd beschreven als een \'gift\' of \'beloning\'. Ze rechtvaardigden ook hun praktijken door te beweren dat ze een eerlijke en redelijke rente vroegen, die de kosten en risico’s van hun activiteiten dekte, en dat ze de economie en de samenleving ten goede kwamen.
Na de crisis van de Grote Pestepidemie ontwikkelt Florence zich vanaf 1350 als het brandpunt van de Renaissance. De stad heeft een bloeiende wol- en korenhandel en lakennijverheid maar de melkkoe wordt al gauw de geldhandel. In 1252 werd de eerste gouden Florentijnse munt geslagen, de florijn, die spoedig een Europese standaardmunt werd. De Florentijnen gaan het bankwezen te beheren, ook dat van de paus. De stad telt honderdduizend inwoners en is na Parijs de grootste stad van Europa. Nadat de Florentijnen in 1295 besluiten om de feodale adel uit te sluiten van de politieke ambten in de Republiek, trekt de bankiersfamilie De’ Medici in 1434 trekt Cosimo de macht naar zich toe. De familie bereikt onder Lorenzo ‘il Magnifico’ (1449-1492) haar hoogtepunt. Hij sticht de Neo-Platoonse Academie. Dit wordt het centrum van het humanisme.
Een ander bloeiend centrum is de Republiek Venetië. De lagunestad ontwikkelt zich al vroeg tot een handelsknooppunt tussen oost en west. Hierdoor speelt de stad een belangrijke rol in het heropenen van de Europese handel. De beroemde reis van de Venetiaanse koopman Marco Polo (1254-1324) levert de eerste Europese beschrijving van het Verre Oosten. Venetië introduceert in Europa wissel- en kredietbanken, boekhouding en obligatiemarkten. Technieken voor de bewerking van suikerriet worden overgenomen vanuit Azië en Egypte en ook de bewerking van zijde, glasblazen en sieraden vonden zo hun weg naar Europa. Dankzij belangrijke verbeteringen in de scheepsbouw bouwen de Venetianen grotere schepen waarmee voor het eerst het gehele jaar kan worden gezeild. Met de rijkdom financiert men de bouw van prachtige paleizen en de bestelling van kunstwerken. Vanaf de late dertiende eeuw is Venetië de meest welvarende stad van Europa. Op het hoogtepunt van zijn macht had het meer dan 3000 schepen en domineert het de mediterrane handel. Tot de Nederlanders deze positie overnamen in de zeventiende eeuw bleef Venetië een van de rijkste delen van Europa.
In de vijftiende eeuw ontstaan in Noord-Italië veel banken in grote steden zoals Genua, Siena en Florence. Bankier Cosimo de Medici, de oprichter van de Medici bank, wist zelfs wereldwijd vestigingen te openen. Hoe invloedrijk de Italianen waren, blijkt uit het feit dat de term ‘bankroet’ (‘banca rotta’) uit het Italiaans komt.
Nadat de geldeconomie haar intrede had gedaan zijn er vanaf de Renaissance duidelijk innovatiegolven te herkennen. Ik zal ze beschrijven voor het historische Boogschutter- en Steenboktijdperk. In elk van deze tijdperken duurt 180 jaar en ze bestaan uit vier innovatiegolven welke ongeveer 45 jaar duren.
De vier golven in een historisch tijdperk hebben een patroon: de eerste en derde golf hebben een creatief mannelijk karakter en ze worden gevolgd door de tweede en vierde golf met een vormend vrouwelijk karakter. Een mannelijk tijdperk met een revolutionaire innovatie wordt gevolgd door een vrouwelijk tijdperk waarin deze breder wordt toegepast en ingebed in de maatschappij. In het vrouwelijke tijdperk komt de innovatie zelfs letterlijk in beweging. Zo worden de stoommachines eerst in fabrieken opgesteld en later in een stoomtrein toepast. En na de uitvinding van de verbrandingsmotor en turbine, wordt deze in de volgende golf grootschalig gebruikt met de auto. Dit patroon van actie en reactie komt overeen met de installatiefase en uitrolfase van Perez. Twee golven vormen steeds een setje: een tijdperk van ongeveer 90 jaar met een specifiek kenmerk.
Setjes van twee golven innovatie (M) → beweging (V) 1420-1510 Humanisme drukpers → grote zeilvaart 1510-1600 Godsdienstoorlogen krijgsmacht → verovering Amerika 1600-1680 Wetenschappelijke Revolutie nijverheid → openbaar vervoer 1680-1780 De Verlichting rationalisering → trek naar steden 1780-1880 Eerste Industriële Revolutie stoommachine → stoomtrein 1880-1970 Tweede Industriële Revolutie motor → automobiel 1970-2050 Eerste Digitale Revolutie computer → robot
Setjes van twee golven vormen tijdperken van 90 jaar.